De bronnen van Dimitri Verhulst, een verslag

door Willemijn Lindhout, Daan Stoffelsen, Kristel Dumoulin en Eveline Vink, 6 oktober 2008

Een paar uur na de Nederlandse première van zijn nieuwe roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol is Dimitri Verhulst te gast bij een speciale Recensiewebavond. Het was een regenachtige donderdagavond, maar ‘De bronnen van Dimitri Verhulst’ bleek genoeg belangstellenden te trekken om Amsterdams academisch-cultureel centrum Spui25 tot de laatste stoel te vullen. Aan de hand van door acteurs Daan Weddepohl en Karlijn Sonderen voorgedragen fragmenten ontleedde NRC Handelsblad-recensent Arjen Fortuin Verhulsts literaire universum. Dat de auteur bleek te lijden aan literaire afasie vormde geen enkel beletstel voor een intrigerende kennismaking met zijn belangrijkste inspiratiebronnen.

Verhulst bleek niet alleen bereid om op zijn eigen verjaardag op te treden voor Recensieweb, nog wel belangrijker was dat hij de UEFA Cup-wedstrijd Standard Luik – Everton (2-1, Standard ging door) liet schieten.
Het voetbal betekende ook voor Arjen Fortuin de eerste kennismaking met Verhulsts werk, toen hij uit eigen interesse De verveling van de keeper besloot te bespreken. Sindsdien is hij een trouwe lezer. Al bij dit derde prozawerk openbaarde zich de geëngageerde Verhulst: ‘Er wordt door opiniemakers in theaterzalen en politieke bijeenkomsten wel fanatiek gefoeterd op extreem-rechts, maar geen aanhanger van het Vlaams Belang zit in zo’n zaal. Daarom wilde ik ze in de val lokken door middel van een voetbalroman.’

Paul Snoek, ‘Gedicht voor mezelf’, uit Welkom in mijn onderwereld (1978)
Welkom in mijn onderwereld is Paul Snoeks (1933-1981) laatste bundel bij leven, ‘Gedicht voor mezelf’ is het openingsgedicht.

Gedicht voor mezelf

Ik weet het, mensen, die ik heb bemind,
het was een straf mij lief te hebben.
Mijn vrouwen heb ik zelf ontvreemd,
mijn kinderen werden verre mensen
en mijn vrienden gingen spoorloos dood.

En toch, geloof mij, want ik heb het leven lief.
Ik heb het leven liever te verlaten levend,
als de grazende kudde omringd door de verte,
dan te verjaren in een prinsengraf,
waar ik mag staren naar mijn groot verleden,
verzwonden in de diepe grotten van de wolken.

Ik wil mezelf opnieuw gastvrij ontvangen
in een huis dat glimlacht van muziek
of in een tuin bevloeid door zuiver meisjeswater,
ver weg van het geween met de verkeerde tranen,
ver weg van het verdriet en van de regenzee.

Verhulsts eerste kennismaking met literatuur is te danken aan een verloren moment op de Vlaamse tv: ‘Waar meestal “even geduld a.u.b.” of een beeld van een bos met een vijver en klassieke muziek werd gebruikt om de tijd op te vullen, werd een keer een gedicht door Paul Snoek voorgedragen. Als kind was ik thuis – afgezien van boeken met elfjes of over het Belgisch koningshuis – nooit met lezen in aanraking gekomen. Maar die stem van Paul Snoek viel zó samen met het gedicht, dat was echt. (…) Ik was onder de indruk van iemand die zo voorlas. Ik vrees dat daar de interesse voor literatuur is begonnen. Door de televisie.’ Na het horen van ‘Gedicht over mezelf’ oordeelt Verhulst nu echter: ‘Wat een esoterische onzin. Hij begint zo mooi: ‘Ik weet het, mensen, die ik heb bemind, het was een straf mij lief te hebben.’: Maar ‘zuiver meisjeswater’?”. Ik was in die tijd was ik wel erg zwaarmoedig, dacht na over op welke manier je zelfmoord kon plegen.’

Bernardo Soares (Fernando Pessoa), Boek der rusteloosheid (1990, 2005, vert. Livro do Desassossego), 170, 30 juni 1931

Er zal een dag komen dat ik dit niet meer zie, dat de bananen op de rand van het trottoir, de verkoopsters met hun radde tong, de kranten die de kleine venter heeft uitgestald op de hoek van het trottoir aan de overkant, mij zullen hebben overleefd. Ik weet wel dat dat andere bananen zullen zijn en andere verkoopsters, en dat de kranten voor wie zich zou bukken omze te bekijken, een datum zullen hebben die niet die van vandaag is, maar zij blijven bestaan omdat ze niet leven, ook al zijn het andere, ik daarentegen verga, omdat ik leef, ook al blijf ik dezelfde.

Ik zou hier een feestelijk moment van kunnen maken door bananen te kopen, want het lijkt me dat de zon er vol op schijnt, als een schijnwerper zonder lamp. Maar ik schaam me voor rituelen, voor symbolen, ik schaam me om dingen op straat te kopen. Men zou de bananen niet goed voor me kunnen inpakken, ze mij niet verkopen zoals ze moeten worden verkocht, omdat ik niet weet hoe ze moeten worden gekocht. Men kan mijn stem raar vinden als ik naar de prijs vraag. Schrijven is beter dan wagen te leven, ook al is leven niet meer dan bananen kopen in de zon, zolang de zon schijnt en er bananen te koop zijn.

In Pessoa ziet Verhulst een duidelijke parallel met Snoek: ‘Het zijn allebei vereenzaamde figuren. Als puber herkende ik die eenzaamheid zo sterk, de voortdurende aanwezigheid van de dood. Snoek en Pessoa zijn dan ook allebei jong overleden; Snoek is doodgereden en Pessoa heeft zich dood gedronken. Maar nu vraag ik me af: wat heb ik daarin gezien? Je moet je jeugdidolen niet herlezen. Ook August Willemsen, de vertaler van Pessoa kon hem ook niet meer lezen, terwijl hij toch zijn halve leven heeft gegeven aan het vertalen van zijn werk. Waar ik nog wel steeds door ben gegrepen is Pessoa’s omgang met taal, die is bijna wiskundig, net zoals een compositie van Bach. Het is bijna te perfect om uit het hart te komen. Dat heb ik lang geprobeerd te imiteren. Zoals veel beginnende schrijvers, begon ik met gedichten, maar dat bleek niet mijn talent, ik gleed vanzelf naar proza.’
Verhulst heeft met zijn poëzie wel het vertrouwen verloren in de C. Buddingh’prijs, die zijn bundel nomineerde. Fortuin verklaart wat hem op de nominatie heeft doen belanden: ‘De oogst aan jonge poëten is nooit zo groot.’

Shakespeare, Hamlet (1993, vert. Bert Voeten)

O, dat dit al te morse vlees kon smelten,

Ontbinden en vervloeien tot een dauw,

Of dat de Eeuwige de zelfmoord niet

Met zijn verbod getroffen had! O God!

Hoe troosteloos, laag, verschaald en zonder nut

Komt mij het handelen van de wereld voor!

Ik walg van haar! Zij is een wilde tuin

Die in het zaad schiet; grove en gore dingen

groeien er slechts. Dat het zover moest komen!

Twee maanden dood, nee, nee, niet eens twee maanden.

Hamlet vormt een uitzondering wat betreft herlezen. Verhulst: ‘Ik was hieraan verslaafd, heb het wel zeven keer herlezen, bijna alles zit erin. Ik las het voor het eerst toen ik zeventien was, na de dood van mijn vader, dat maakte me er misschien ook meer vatbaar voor.’ Fortuin merkt op dat Hamlet is geschreven met de schwung die Verhulst nastreeft. ‘Ah, dan is de vergelijking met Shakespeare toch gevallen.’

Fortuin: ‘Klopt het dat je al vanaf je negende verhalen schrijft?’ Verhulst: ‘Plak er maar een leeftijd op, volgens mij wordt het steeds een jaar eerder. Ik was altijd al een verhaaltjesmaker, maar ik stond er niet bij stil. Net zoals iemand die als kind tekent en later een beroemd schilder wordt, je doet het gewoon en later zeggen ze: “het zat er altijd al in.”’

Fortuin: ‘Maar zag je in het schrijven een manier om uit de tehuizen te komen?’ Verhulst: ‘In interviews las ik altijd al dat je geen reet verdiende met schrijven, maar ik besefte wel dat literatuur een plaats in mijn leven kon betekenen. Dat sterkte mij en daarom heb ik hoog ingezet en al het andere opzij gedaan.’

Fortuin: ‘Maar geldt voor jou dan ook Pessoa’s motto “Het is beter te schrijven dan te leven”? Verhulst: ‘Dat is puberale onzin, zonder leven geen schrijven.’

Frans Pointl, ‘Poelie de Verschrikkelijke’ uit De aanraking (1990)

Ik had Louise bijna alles over de onhandelbare kat verteld.

‘Ik zou hem geloof ik allang hebben gewurgd,’ zei ze.

Toen ze bij me op visite kwam hield ze uit voorzorg haar lederen handschoenen aan; een raar gezicht, iemand die met handschoenen aan een kopje koffie drinkt.

Ik had de kattensituatie die ochtend gewijzigd: Lily en Vlek op het balkon en Poelie tijdelijk in de huiskamer. De radio stond aan: Grieg, Mozart, daarna Wagner.

‘Kom eens gauw!’ riep Louise.

Ik kwam de keuken uit.

‘Dat is opmerkelijk,’ zei Louise, ‘zodra de muziek van Wagner klonk, liep hij met gespitste oren naar de radio en nu zit-ie er bovenop.’

Onbeweeglijk en vreemd verstard zat Poelie daar alsof hij echt luisterde.

Een kille rilling prikkelde langs mijn ruggengraat.

‘Er is wat met dat beest, doe hem toch weg, hij brengt ongeluk. Dat heb je trouwens aan die beet gemerkt, dat was bijna slecht afgelopen.’

Verhulst: ‘Wat ik van Pointl heb opgestoken is dat je grote verhalen ook met een knipoog kunt vertellen. Dat je prima een serieus thema kunt aansnijden in het banale.’ Ook Roald Dahl schreef een verhaal over Hitler. Bijna niemand weet dat dat vroeger een ziekelijk kind was. Dahl vertelt over dit kind, maar vertelt er niet bij dat het om Hitler gaat. Als lezer ben je aan het hopen voor dat kindje. Die ouders hebben al een paar baby’s verloren, laat deze het dan redden! En dan komt de dokter binnen, en die zegt: “Hoe is het met kleine Adolfje?” Ja, dan slik je wel even. Dan…’ Verhulst maakt wurggebaren. ‘De timing is fantastisch.’

Harold Brodkey, ‘Het verhaal op de golven’ ( On the Waves’) uit Verhalen op vrijwel klassieke wijze (1993, 1998, vert. Stories in an Almost Classical Manner 1989)

Melinda fluisterde: ‘Nou goed…’ De gondel schommelde. Een motorsloep die de vorm van een reddingsboot had en waar dozen Coca-Cola in opgestapeld lagen, voer puffend voorbij. ‘Ik vind Venetië eigenlijk niks leuk.’
Hij had verwacht dat haar antwoord – zijn hoop in die richting was vooral aangewakkerd sinds hij besefte dat ze de ondergang van Venetië wenste – veel verhelderender zou zijn, zoiets als een erkeninng dat het haar verdriet deed, die afstand die er sinds de echtscheiding tussen Henry en haar was gegroeid, zoiets als ‘Ik vind het vreselijk dat mama en jij niet meer bij elkaar zijn’, iets dergelijks, iets eerlijks.

Hij zei: ‘Maar jij wilde toch zelf naar Venetië toe! Het was je eigen idee!’

‘Ik dacht dat het heel anders zou zijn,’ zei ze.
‘Alles is onoprecht hier, behalve het water.’

Henry’s mond zakte open, hij barstte in lachen ui. Hij lachte heel lang. Hij bedaarde: zou het Melinda kunnen schelen dat een stad onoprecht was als Henry’s vertrek uit haar ouderlijke huis haar niet had geleerd dat je overal onoprechtheid tegenkwam? Hij knipperde met zijn ogen en keek haar vol medelijden, vol tederheid, aan.

Als Fortuin voor het voorlezen van het volgende fragment vraagt waarom hij dit gekozen heeft, beroept Verhulst zich op wat Patrick Süskind in een dun boekje ‘literaire afasie’ noemde. ‘Er zijn allemaal boeken die ik fantastisch vond. Maar dan sta je later voor je boekenkast en dan denk je: waar gingen die boeken ook alweer over? Na het lezen blijft er alleen een bepaald gevoel over. Net als een herinnering die steeds vager wordt.

Brodkey speelt in Het verhaal op de golven met de verwachtingen van ouders over hun kind. Die vader wil dat het kind slim is, en je gaat constant met het gevoel van die vader mee. Het is als zo’n kind uit een Amerikaanse televisiefilm over aan kanker stervende huismoeders, ongelooflijk slim, maar dat kind is natuurlijk zo dom als een koe, zoals alle kinderen van acht kletst ’t maar wat. Brodkey praat je eerst dat gevoel over dat kind aan, en dan hakt hij je kop eraf. Fortuin: ‘Hij gebruikt dus dezelfde truc als Dahl, hij voert je mee in een projectie en dan blijkt dat je je als lezer met de verkeerde identificeert.’

‘Als lezer laat je je snel meevoeren, maar het is niet zo gemakkelijk om zo te schrijven. Je bent de slechtst mogelijke lezer van je eigen werk. Ik heb echt moeten leren om mijn eigen werk te lezen. Ik schrap veel minder dan in het begin. Ik maak nog wel fouten, te veel naar mijn zin. Maar het begint te lukken.
Was ik maar vijf jaar later gedebuteerd, dacht ik toen ik mijn eerste twee boeken herlas.’
‘Denk je dat je dat altijd blijft vinden,’ vraagt Fortuin, ‘dat je alleen tevreden bent over je laatste vier boeken?’ ‘Ik hoop het wel, want dat betekent dat ik nóg beter ga schrijven.’ Om er na een kleine stilte zachtjes aan toe te voegen: ‘Dat was onbescheiden.’

Gustave Flaubert, De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet

Je brief van vanmorgen is triest, er spreekt een gelaten droefheid uit. Je biedt aan mij te vergeten als ik dat op prijs stel, je bent subliem. Ik wist hoe goed en voortreffelijk je was, maar ik wist niet hoe edel je was. Ik zeg het je nog eens, het is voor mij een vernedering om jou met mijzelf te vergelijken. – Weet je dat je me zeer hardvochtige dingen schrijft, en het ergste is dat ik er zelf aanleiding toe heb gegeven.

‘Die Flaubert is een geweldige egotripper,’ aldus Verhulst na het horen van enkele brieven van Gustave Flaubert aan Louise Colet. ‘Flaubert doet alsof hij de vrouwtjes wel kent. Dat hij het versieren beheerst. Maar ondertussen woonde hij bij zijn oude moedertje en zag hij die Louise waarschijnlijk eens in de drie jaar. De tussentijd vulde hij met doen alsof en brieven schrijven. Je moet sarcastische ondertoon wel zien, als je hem serieus neemt vind je hem een etter en waarschijnlijk was hij ook een etter.
Maar door dit boek ben ik het genre wel gaan waarderen, kon ik aan Jeroen Brouwers Kroniek van een karakter beginnen. In brieven ben je niet gebonden aan de regels voor het schrijven van een roman, vaak zie je toch pas het echte talent bovendrijven als iemand van die brieven schrijft.’

Fortuin: ‘Doe jij je best om je hoofd koel te houden tijdens het schrijven?’
Verhulst: ‘Ik denk dat ik mezelf wel goed in de hand houd.’
Fortuin: ‘Steeds meer?’
Verhulst na een lange stilte: ‘Is er nog gescoord? Wat een moeilijke vraag, daar zou ik wel een week over moeten nadenken.’
Fortuin: ‘Je schrijft met zoveel schwung, je lijkt jezelf op te winden.’
Verhulst: ‘Het is bedrieglijk, ik leg de lat hoog en blijf kritisch kijken naar wat ik zelf heb gemaakt. Als ik een boek maak, zit ik er middenin, zoals Problemski Hotel, dat gaat over mensen van vlees en bloed, het is een tijd aan mijn botten blijven plakken. Maar tijdens het schrijven van Godverdomse dagen bleef ik thuis wel een gezellig mens. Gelukkig maar, want zelfs met een kalashnikov zou ik nog geen opluchting vinden. Voordat ik begin met schrijven zet ik de toon vast, ik roep een gevoel op en dat pakt me beet als ik naar mijn schrijftafel ga. Dat gold ook voor het liefdevolle gevoel tijdens het schrijven van Mevrouw Verona daalt de heuvel af.

Panos Karnezis, ‘Offer’ uit Kleine schandalen (2003, vert. Little Infamies, 2002)

De jongen hield het mes met beide handen vast. De buurman keek de andere kant op.

‘Jongen, ga je verkleden,’ zei Dionysio vermoeid.

‘Hij vocht terug alsof hij een kans had,’ zei de jongen. ‘Hij was enorm. Daarom was hij zo zelfverzekerd.’

‘Ga je nu verkleden.’

‘Na die bajonetsteek jankte hij als een wolf. Toen wist hij wat er ging komen.’

De jongen dronk bier. Het teefje kwam uit het donker aangelopen en kwispelde met haar staart.
De jongen boog zich voorover en streelde over haar kop.

‘Ik heb hem gedood, meisje,’ zei hij. ‘Ik heb hem echt gedood.’

Hij wendde zich tot zijn vader. ‘Ik zal een kruisbeeld snijden uit zijn horens. Wat vindt u daarvan, pa?’

Dionysio sloeg zijn ogen neer. Langzaam begon hij te huilen.

‘Ze was mijn kleine meid.’

‘Kleine schandalen van Karnezis is opnieuw een ouder-kindfragment,’ merkt Fortuin op. ‘Een thema dat ook veel voorkomt in jouw werk.’ ‘Ik vind hier zo mooi aan dat alles in een microkosmos plaatsvindt. Er is een klein dorp en met alle mensen die daar wonen is wat. Het zijn een hoop geestige verhalen samengepakt. Maar je hebt gelijk, dit gaat ook al over ouders, daar had ik niet bij stilgestaan toen ik het uitkoos. Daar heb je de literaire afasie weer, hè.
De vader-zoonrelatie is een voor mij persoonlijk een belangrijke band, waar ik ook makkelijker over schrijf dan over andere dingen. Een kind van alcoholistische ouders kan ook goed terechtkomen, een jeugd in instellingen betekent niet dat het dús niet meer goed komt met je. Ik vind mezelf hier wel een soort voorlichter in, ja, als niemand anders die boodschap brengt voel ik me daar wel toe geroepen.

Vroeger werd literatuur geschreven door mensen als Couperus, adel die zich verveelde, en een paar schoolmeesters. Tegenwoordig zit er in elke laag van de bevolking wel iemand die kan schrijven, dat vind ik mooi. Daardoor kun je dus bij iedereen in zijn hoofd kijken in plaats van alleen bij verveelde adel en schoolmeesters. Als ik een homoseksuele jood wil leren kennen, dan kan dat nu. Dat is toch fantastisch?’

Gabriel Garcia Marquez, Leven om te vertellen (2003, vert. Vivir para contarla, 2002.)

Uren later, in de taxi die me onder de ondankbare en transparantste hemel ter wereld naar het vliegveld van Barranquilla bracht, drong het ineens tot me door dat we op de avenida Veinte de Julio reden. In een reflex die al vijf jaar deel uitmaakte van mijn leven, keek ik naar het huis van Mercedes Barcha. En daar zat ze, als een standbeeld in het portiek, slank en ver weg, en stipt volgens de mode van het jaar gekleed in een groene jurk met goudgeel kantwerk, het haar geknipt als zwaluwenvleugels en met de diepe rust van een vrouw die wacht op iemand die niet zal komen. Ik kon het trillende gevoel in mijn borst dat ik haar op een donderdag in juli op zo’n vroeg tijdstip voor altijd zou verliezen niet onderdrukken, en heel even dacht ik erover de taxi te laten stoppen om afscheid te nemen, maar ik wilde liever niet nog eens een zo onzeker en hardnekkig lot als het mijne tarten.

‘Vertellen is een prachtig ambacht. In de literatuur moet je soms lang zoeken naar goede vertellers, alsof je in de literatuur geen goede verteller mag zijn. Márquez is daar zo goed in. Ja, ik zie mezelf wel als verhalenverteller. Bij zijn boeken heb ik als enige dat de jaloezie soms de overhand heeft over het leesplezier. Een van de meest terechte Nobelprijswinnaars die ik gelezen heb.
Die man is in de tachtig en schrijft nu zijn memoires. Kijk nou, zó’n boek en dan eindigen met de eerste ontmoeting met zijn vrouw. Je voelt je hart kloppen in je keel, na zoveel jaren nog zo verliefd. En dan eindigt hij met: “Wordt vervolgd.”’!’

Als slot van de avond vraagt Arjen Fortuin aan Verhulst om een stuk voor te lezen uit eigen werk, een scène uit zijn nieuwste boek. ‘Toen ik de aankondiging las, waarin het omschreven werd als “de geschiedenis van de wereld verteld zonder hoofdpersonen”, dacht ik: dat kan alleen maar tegenvallen. Waarom nou zo ambitieus? Maar ik vond het prachtig, en het is inderdaad echt een roman zonder hoofdpersonen die er in slaagt de hele geschiedenis van de wereld te omvatten.’
Verhulst: ‘Het was inderdaad riskant, maar eigenlijk was het nog veel ambitieuzer. Ik heb de geschiedenis van Afrika en China bijvoorbeeld erg tekort gedaan. Maar die geschiedenissen verlopen niet parallel en zijn dus niet te vangen in één personage. Dan moet je je hoofdpersoon in hoofdstuk drie laten doodgaan en dan in hoofdstuk vier op een ander continent weer verder laten leven, en dan klopt het qua tijd ook al niet meer. Daarom heb ik gekozen voor een theoretisch standpunt, voor de leesbaarheid, het is een Bildungsroman geworden.

Ik heb altijd wel ongeveer drie boeken in mijn hoofd die ik nog wil schrijven, maar ik spring daar heel impulsief mee om. Uiteindelijk krijg ik een ander plan dat ik ga uitvoeren, en die drie boeken daar begin ik meestal niet eens aan. Dit was ook een plotselinge ingeving.’

Maar een goede ingeving, zo lijkt het. Daan Stoffelsen schreef er reeds dit over, en het publiek vanavond weet de stapels die Athenaeum Boekhandel heeft klaargelegd ook wel te vinden. Nu de literaire bronnen van Dimitri Verhulst blootgelegd zijn, willen we ook weten waar dat toe geleid heeft. Leest u het hier op Recensieweb, maar leest u het vooral zelf in het werk van Dimitri Verhulst.

De fragmenten, integraal

Paul Snoek, ‘Gedicht voor mezelf’, uit Welkom in mijn onderwereld (1978)

Gedicht voor mezelf

Ik weet het, mensen, die ik heb bemind,
het was een straf mij lief te hebben.
Mijn vrouwen heb ik zelf ontvreemd,
mijn kinderen werden verre mensen
en mijn vrienden gingen spoorloos dood.

En toch, geloof mij, want ik heb het leven lief.
Ik heb het leven liever te verlaten levend,
als de grazende kudde omringd door de verte,
dan te verjaren in een prinsengraf,
waar ik mag staren naar mijn groot verleden,
verzwonden in de diepe grotten van de wolken.

Ik wil mezelf opnieuw gastvrij ontvangen
in een huis dat glimlacht van muziek
of in een tuin bevloeid door zuiver meisjeswater,
ver weg van het geween met de verkeerde tranen,
ver weg van het verdriet en van de regenzee.

Shakespeare, Hamlet (1993, vert. Bert Voeten)

O, dat dit al te morse vlees kon smelten,
Ontbinden en vervloeien tot een dauw,
Of dat de Eeuwige de zelfmoord niet
Met zijn verbod getroffen had! O God!
Hoe troosteloos, laag, verschaald en zonder nut
Komt mij het handelen van de wereld voor!
Ik walg van haar! Zij is een wilde tuin
Die in het zaad schiet; grove en gore dingen
groeien er slechts. Dat het zover moest komen!
Twee maanden dood, nee, nee, niet eens twee maanden.

Een uitgelezen vorst, een zonnegod
Naast deze faun. Zo lief had hij mijn moeder,
Dat hij de wind niet toestond al te ruw
Met haar te spelen. Aarde en hemel! Moet ik
Het mij herinneren? O, zij hing aan hem
Alsof door de bevrediging haar begeerte
Nog groeide, en nochtans, binnen een maand… – Laat mij niet denken. Zwakheid, uw naam is vrouw!
een kleine maan; eer ‘t schoeisel was versleten
Waarop zij ‘t lichaam van mijn arme vader
Volgde, als Niobe, geheel in tranen…
Trouwde zij… Zij… – Mijn God, een reeloos dier
Zou langer rouwen! – trouwde zij mijn oom,
Mijn vaders broer, maar minder ophem lijkend
Dan ik op Herkules. Binnen een maand,
Nog voor het zout van haar geveinsde tranen
Haar roodgewreven ogen had verlaten,
Trouwde zij. O verdorvenheid die zich
Zo jachtig spoedt naar een bloedschennig bed!
Het is niet goed, er kan niets goeds van komen.
Maar ik moet zwijgen, ook al breekt mijn hart.

Bernardo Soares (Fernando Pessoa), Boek der rusteloosheid (1990, 2005)

170

30 juni 1931

Nu de laatste regenbuiten weggetrokken zijn naar het zuiden en alleen de wind die ze heeft weggevaagd is overgebleven, is de vrolijkheid van een stralende zon teruggekeerd naar de heuvels van de stad en hangt er veel wit wasgoed te fladderen aan de lijnen die tussen korte stokken onder de hoge ramen van de veelkleurige huizen zijn gespannen.
Ook ik ben blij, want ik besta. Ik ging van huis weg voor een groot doel, wat op tijd op kantoor komen tenslotte is. Maar vandaag viel de dwang die eigen is aan het leven, samen met die andere weldadige dwang waardoor de zon schijnt tijdens de uren die de almanak aangeeft, overeenkomstig de lengte- en breedtegraad van de plaatsen op aarde. Ik voelde me gelukkig, omdat ik me niet ongelukkig kon voelen. Ik liep ontspannen de straat uit, vervuld van zekerheid, want het bekende kantoor en de bekende mensen daarin waren per slot van rekening zekerheden. Geen wonder dat ik me vrij voelde, zonder te weten waarvan. Op de trottoirs van de Rua da Prata stonden manden met bananen, die schitterend geel waren in de zon.
In wezen ben ik met heel weinig tevreden: dat het niet meer regent, dat de zon lekker schijnt in dit gelukkige zuiden, dat de bananen nog geler lijken door de zwarte plekken die erop ziten; tevreden met de verkoopsters, omdat ze praten, met de trottoirs in de Rua da Prata en de groenachtige blauwe tot goudkleurige Taag in de verte, met dit huiselijke hoekje in het grote systeem van het heelal.
Er zal een dag komen dat ik dit niet meer zie, dat de bananen op de rand van het trottoir, de verkoopsters met hun radde tong, de kranten die de kleine venter heeft uitgestald op de hoek van het trottoir aan de overkant, mij zullen hebben overleefd. Ik weet wel dat dat andere bananen zullen zijn en andere verkoopsters, en dat de kranten voor wie zich zou bukken omze te bekijken, een datum zullen hebben die niet die van vandaag is, maar zij blijven bestaan omdat ze niet leven, ook al zijn het andere, ik daarentegen verga, omdat ik leef, ook al blijf ik dezelfde.
Ik zou hier een feestelijk moment van kunnen maken door bananen te kopen, want het lijkt me dat de zon er vol op schijnt, als een schijnwerper zonder lamp. Maar ik schaam me voor rituelen, voor symbolen, ik schaam me om dingen op straat te kopen. Men zou de bananen niet goed voor me kunnen inpakken, ze mij niet verkopen zoals ze moeten worden verkocht, omdat ik niet weet hoe ze moeten worden gekocht. Men kan mijn stem raar vinden als ik naar de prijs vraag. Schrijven is beter dan wagen te leven, ook al is leven niet meer dan bananen kopen in de zon, zolang de zon schijnt en er bananen te koop zijn.
Later misschien… Ja, later… Een ander misschien… Ik weet het niet…

Frans Pointl, ‘Poelie de Verschrikkelijke’ uit De aanraking (1990)

Ik had Louise bijna alles over de onhandelbare kat verteld.
‘Ik zou hem geloof ik allang hebben gewurgd,’ zei ze.
Toen ze bij me op visite kwam hield ze uit voorzorg haar lederen handschoenen aan; een raar gezicht, iemand die met handschoenen aan een kopje koffie drinkt.
Ik had de kattensituatie die ochtend gewijzigd: Lily en Vlek op het balkon en Poelie tijdelijk in de huiskamer. De radio stond aan: Grieg, Mozart, daarna Wagner.
‘Kom eens gauw!’ riep Louise.
Ik kwam de keuken uit.
‘Dat is opmerkelijk,’ zei Louise, ‘zodra de muziek van Wagner klonk, liep hij met gespitste oren naar de radio en nu zit-ie er bovenop.’
Onbeweeglijk en vreemd verstard zat Poelie daar alsof hij echt luisterde.
Een kille rilling prikkelde langs mijn ruggengraat.
‘Er is wat met dat beest, doe hem toch weg, hij brengt ongeluk. Dat heb je trouwens aan die beet gemerkt, dat was bijna slecht afgelopen.’
Als afleidingsmanoeuvre begon ik haar te vertellen hoeveel zakken kattenbaksteentjes ik per jaar wel gebruikte.
‘In al die jaren dat ik katten heb, heb ik wel tweemaal de Himalaya tot gruis vermalen.’

[...]

Louise kwam op visite. Natuurlijk begon ze over Poelie.
‘Als jij de moed niet kunt opbrengen hem naar het asiel te brengen, wil ik dat wel voor je doen. Hij verknalt het leven van die twee oude lieverds.’ Ze wees op Lily en Vlek.
‘Kan er een kwade geest in een kat huizen?’ vroeg ik om haar een plezier te doen.
Omstandig begon ze uit te leggen dat een ziel pas rust heeft als de cirkel is gesloten. Ze sprak van metempsychose ofwel reïncarnatie. Als je goed hebt geleefd, zul je in een hogere zijnsorde worden herboren, maar in het hiernamaals zijn óók afdelingen; sommige zielen moeten langdurig in donkere, mistige of schemerige, ijskoude of kokendhete sferen vertoeven.
Ik begreep dat het nog een hele toer was om voorgoed in een aangename hiernamaalssfeer te belanden. Zielen van misdadigers konden in een koe, varken of ander dier terechtkomen. Wie op een laag niveau had geleefd, werd op een laag niveau herboren. Sommigen der ‘overgeganen’ manifesteren zich door gebruik te maken van het lichaam van het medium.
Ik ging naar de keuken, vulde de fluitketel en zette deze op het gas. Uit de kast nam ik de glazen Melittapot en het koffiefilter.
Louise kwam de keuken binnen, haar anders nogal kleurloze gezicht had nu een kleur.
‘Ik wilde je vragen of je, nou ja.’ Ze aarzelde. ‘Kun je een klein stukje van Poelies vacht knippen en dat in plastic verpakken? Je moet het goed met tape dichtplakken. Aanstaande zaterdagavond wil ik het meenemen naar de seance van het Amsterdam Spiritisch Genootschap. De Vlaamse mevrouw Beernaert de Muelenaere komt, dat is een heel bekend medium, ze spreekt met zo’n grappig accent en…’
‘Wat moet er dan met dat stukje vacht gebeuren?’ onderbrak ik haar achterdochtig.
Ze legde uit dat ze het stukje vacht aan het medium wilde overhandigen.
Ik staarde door het raam van de keukendeur naar de armoedige achterzijde van de huizen aan de overkant.
‘Luister je?’ Er was iets scherps in haar stem.
Uit het keukenkastje nam ik een plastic diepvrieszakje, de schaar en het rolletje tape.
‘Als ik je daar een plezier mee doe.’
Ze maakte me altijd moe, er was iets in haar dat na een uur loodzwaar op me drukte.

Een week later kwam ze me opgewonden over de seance vertellen.
Zodra ze het ‘object’ aan het medium had overhandigd, sloot de vrouw haar hand om het minuscule pakje. Ze raakte al snel in trance en begon overdreven te miauwen en te blazen, wat bij de aanwezige dames een ongebruikelijke hilariteit veroorzaakte. Ze was net een woedende kat, zelfs haar oren leken groter.
In het verdere verloop van de seance klonk een schorre mannenstem via het medium, in het Duits schreeuwend dat ‘Het Duitse volk niet Duits genoeg meer was’.
Hierna verviel het medium enkele minuten in een onverstaanbaar gemompel. Toen riep ze met een van woede vertrokken gezicht hysterisch: ‘DER EWIGE JUDE’ en: ‘GEFÄLLT EUCH DIE JUDENSCHAFT…’ Ten slotte hief ze haar rechterarm gestrekt tot even boven haar schouder en viel flauw.
Nu vielen mediums wel vaker flauw, maar dit keer kwam het medium niet spontaan bij. De GG&GD moest eraan te pas komen.
‘Ze kan niet uit haar trance komen,’ verklaarde de voorzitster, terwijl de verpleegkundige de vrouw zuurstof toediende.
De seance was bijzonder paniekerig geëindigd en Louise voelde zich daaraan schuldig.
‘De tachtigjarige mevrouw Köffer was ook aanwezig,’ vertelde ze, ‘tijdens de oorlog woonde zij in Berlijn en had Hitler daar enkele malen in het echt zien spreken. Mevrouw Köffer concludeerde op grond van stem, gebaren en mimiek, die via het medium doorkwamen, dat Hitler zich hier ongetwijfeld manifesteerde.’
Ze maakte me knap zenuwachtig. Ik trachtte mijn onzekerheid te verbergen, liep naar de slaapkamerdeur en riep: ‘Hitler!’
Prompt spitste hij zijn abnormaal grote oren, een hevige trilling trok door zijn lijf, zijn rugharen gingen steil overeind staan en zijn staart werd zo dik als een plumeau. Met een harde bons sprong hij enkele malen tegen het glas, maar dat was nu van onbreekbaar materiaal.
‘Ik blijf hier geen minuut langer!’ riep Louise, ‘zijn straf is nu in een kattenlijf te leven, maar je ziet het, zijn fanatisme is nog ongebroken.’

Op een mistige ochtend ging ik met hem naar de dierenarts voor de definitieve oplossing van mijn kattenvraagstuk. Ik vertelde hem hoe vals de kater was, hoe hij mij had gebeten en over de drie gedode zwerfkatten.
Weer trok de dokter dikke grijze handbeschermers aan. Met behulp van de assistente werd Poelie de Verschrikkelijke uit zijn korf getrokken, een heel karwei want hij was nu reusachtig sterk.
De dokter nam een forse injectiespuit, vulde deze met een oranje vloeistof, stak de naald diep in Hitlers rug, waarna de substantie in diens harige lijf verdween.
Na een minuutje werd het dier doezelig. Met een gevoel van wroeging aaide ik hem nog even. Toen viel hij om; zijn sluitspier verslapte, waardoor een plas dunne ontlastig uit zijn anus liep.
‘Afgelopen,’ zei de dokter laconiek, ‘wilt u het korfje weer meenemen?’
‘Alstublieft niet, gooit u het maar weg.’
Hij schoof de dode kat erin, de assistente dweilde de troep van de metalen tafel.

Soms kwelt mij een gevoel van zelfverwijt.
Ik zie Hitler voor me in zijn laatste momenten; hoe zijn gifgroene ogen snel verdoffen, de oogbollen kantelen en een melkachtig vlies tonen. Ik zie hem als een blok machteloos op zijn zijde vallen.
Waarschijnlijk ben ik de enige jood ter wereld die heeft gehuild om Hitlers dood.

Harold Brodkey, ‘Het verhaal op de golven’ (On the Waves) uit Verhalen op vrijwel klassieke wijze (1993, 1998) (vert. Stories in an Almost Classical Manner 1989)

Langzaam strekte ze een arm boven het water; ze keek aandacht toe hoe de schaduw van haar hand op de zonvergulde golven van vorm veranderde. Ze was even levenloos als een mozaïek, maar toch sprak ze. ‘Zijn de paleizen zo wiegel-waggel omdat ze zo oud zijn?’
Henry zei: ‘Ja en nee.’ Hij zweeg even, vervolgde toen hartelijk: ‘De gebouwen zijn oud, dat klopt ja, maar dat is maar een deel van het verhaal. De eilanden waarop ze zijn gebouwd, waren vroeger modderbanken – ze staken maar net boven het water uit en de Venetianen maakten ze groter door er stenen en boomstammen en huisvuil op te gooien.’
‘Huisvuil – getsie!’ Het meisje hield haar neus dicht.
‘Tja,’ zei de vader. ‘Toch hebben ze de eilanden op die manier groter gemaakt. Maar hoe meer jaren er voorbij gaan, des te meer likt het water ervan weg. Golven zijn net kleine tongetjes, ‘ zei hij met plotselinge dichterlijkheid. ‘Ze eten kleine stukjes van de eilanden weg, de eilanden beginnen te zinken en de gebouwen gaan wiebelen.’ Het was jammer dat ze nog zo klein was, dacht Henry, anders kon hij haar vertellen dat zonnen, sterren, mensen, intelligentie en alles was verder nog geschapen materie was, volgens de wetten der natuur uit chaos ontstonden en tot chaos vergingen.
Met half dichtgeknopen ogen tuurde Melinda Henry in het gezicht. ‘Zakt Venetië in elkaar, papa?’ vroeg ze.
‘Ja en nee,’ zei Henry. ‘Het zinkt weg, maar wel erg langzaam.’
‘Goh, papa, wat weet je vreselijk veel,’ zei ze met vertwijfeld enthousiasme.
Henry voelde een gloeiende blos op zijn wangen verschijnen. Hij zei: ‘Elke reisgids zou je kunnen vertellen dat…’ Hij maakte zijn zin niet af. Hij staarde naar de barokpaleizen langs dit nieuwe stuk van het Canal Grande, paleizen bevlekt met middagschaduwen, gedrapeerd met kornissen, pilasters en balustrades, droevig.
‘Zal het niet in elkaar zakken, terwijl wij er zijn?’ vroeg het kind. Ze lachte bedeesd.
Wilde ze dan dat Venetië in elkaar zou zakken? Henry zei: ‘Nee, het zakt niet in elkaar.’ Wat hij op haar gezicht las was teleurstelling. Hij zei: ‘Weet je, die grote toren op de Piazza – die rode toren? Die is eens in elkaar gezakt… Dat was in de tijd van Henry James. Zo’n zestig jaar geleden.’ Melinda zat hem, dacht hij, vol verwachting aan te kijken. Ze wilde meer over de ondergang van Venetië horen. Waarom wenste het kind deze fantasievolle stad die op modder en huisvuil was gebouwd, in godsnaam kwaad toe? Kwam het, omdat zij – verraden – een wrok tegen de wereld koesterde en hoopte dat hij zou worden vernietigd? Henry’s hart beefde; het kind was een idealist die zich verraden voelde. Getroffen keek hij haar aan.
De lichte frons op haar gezicht deed vermoeden dat ze met een half geformuleerde vrouwengedachte worstelde.
‘Wat is er?’ vroeg Henry. ‘Zit je ergens aan te denken? Waar denk je aan?’
Het kind schudde geschrokken haar hoofd en trok haar schouders op.
‘Je kunt het me heus vertellen, hoor,’ zei Henry bemoedigend.
‘Dan word je boos,’ zei ze.
‘Ik?’ Hij zweeg. Hij zei langzaam: ‘Wat geeft het nou als ik boos word? Vaders en dochters mogen best boos op elkaar worden als ze daar zin in hebben. Dat heeft helemaal niets om het lijf. We kunnen toch moeilijk ons hele leven bang voor elkaar zijn?’ Melinda bestudeerde haar duim. ‘En wat dan nog? Als ik boos word ga ik misschien schreeuwen en met mijn armen zwaarien en dan val ik in het Canal Grande – zou dat niet grappig zijn?’
Melinda zweeg.
‘Toe maar,’ zei Henry. Hij boog zich dichter naar haar toe. ‘Probeer me maar boos te maken. Dan merk je wel wat er gebeurt.’
‘Ik durf niet.’
‘Durf je niet om mij?’
‘Ik weet het niet,’ zei ze tactvol. Ze stak een wijsvinger in het watrer. Henry kon alleen haar achterhoofd zien.
Hij voelde de golf van onschuld waarmee een besef van niet begrepen te worden, gepaard gaat. ‘Dat water is smerig!’ riep hij.
Melinda trok haar vinger terug en hield hem in haar andere hand op haar schoot; waterdruppels kleurden haar lichtblauwe rok donker.
Henry zei: ‘Wat je me ook vertelt, ik kan me niet voorstellen dat ik er bozer om zou kunnen worden dan wanneer je me níets vertelt.’
Melinda fluisterde: ‘Nou goed…’ De gondel schommelde. Een motorsloep die de vorm van een reddingsboot had en waar dozen Coca-Cola in opgestapeld lagen, voer puffend voorbij. ‘Ik vind Venetië eigenlijk niks leuk.’
Hij had verwacht dat haar antwoord – zijn hoop in die richting was vooral aangewakkerd sinds hij besefte dat ze de ondergang van Venetië wenste – veel verhelderender zou zijn, zoiets als een erkeninng dat het haar verdriet deed, die afstand die er sinds de echtscheiding tussen Henry en haar was gegroeid, zoiets als ‘Ik vind het vreselijk dat mama en jij niet meer bij elkaar zijn’, iets dergelijks, iets eerlijks.
Hij zei: ‘Maar jij wilde toch zelf naar Venetië toe! Het was je eigen idee!’
‘Ik dacht dat het heel anders zou zijn,’ zei ze. ‘Alles is onoprecht hier, behalve het water.’
Henry’s mond zakte open, hij barstte in lachen ui. Hij lachte heel lang. Hij bedaarde: zou het Melinda kunnen schelen dat een stad onoprecht was als Henry’s vertrek uit haar ouderlijke huis haar niet had geleerd dat je overal onoprechtheid tegenkwam? Hij knipperde met zijn ogen en keek haar vol medelijden, vol tederheid, aan.

Gustave Flaubert, De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet

Croisset, woensdagavond, 23 augustus 1846

[...]
Oh Louise, ik wil je iets hardvochtigs zeggen en toch wordt het ingegeven door het diepste medeleven, het innigste mededogen. Als er ooit een ongelukkig kind van je mocht gaan houden, een jongetje dat jou mooi vindt, een jongetje zoals ik er een was, schuchter, zachtmoedig en sidderend en hij is bang van je en zoekt je gezelschap, hij probeert je te vermijden en hij loopt achter je aan, wees dan lief voor hem, duw hem niet weg, geef hem slechts je hand zodat hij die kan kussen. Het zal hem doen sterven van dronkenschap. Laat je zakdoek vallen, hij zal hem oprapen en hem mee naar bed nemen, en hij zal er zich wenend op rondwentelen.
[...]

Croisset, donderdagavond, 11 uur, 13 augustus 1846

Je brief van vanmorgen is triest, er spreekt een gelaten droefheid uit. Je biedt aan mij te vergeten als ik dat op prijs stel, je bent subliem. Ik wist hoe goed en voortreffelijk je was, maar ik wist niet hoe edel je was. Ik zeg het je nog eens, het is voor mij een vernedering om jou met mijzelf te vergelijken. – Weet je dat je me zeer hardvochtige dingen schrijft, en het ergste is dat ik er zelf aanleiding toe heb gegeven. Je betaalt me dus met gelijke munt. Het is een vergeldingsmaatregel. Wat ik van jou wil, dat weet ik niet. Maar wat ík wil, is van je houden, nog duizend maal inniger van je houden. Oh als je in mijn hart kon lezen, zou je zien welke plaats ik er voor je heb ingeruimd! Ik merk dat je nog verdrietiger bent dan je toe wilt geven, je hebt je op moeten schroeven om deze brief te kunnen schrijven, is het niet zo dat je van tevoren heel wat tranen hebt vergoten? Je woorden maken een gebroken indruk, er spreekt een vermoeide somberheid uit en zo iets als de zwakke echo van een door tranen verstikte stem. Beken het maar, zeg mij maar meteen dat je een slechte dag had, dat het komt doordat je mijn brief niet had gekregen, wees eerlijk, je hoeft je niet te schamem. Doe niet wat ik zo vaak gedaan heb. Houd je tranen niet in. – Ze dalen neer op je hart en boren er diepe gaten in.
[...]

Gabriel García Márquez, Leven om te vertellen (2003)

Ik reisde de volgende dag heel vroeg over de weg naar Barranquila om de vlucht naar Parijs van twee uur te kunnen halen. Op het busstation van Cartagena kwam ik Lácides tegen, de onvergetelijke portier van De Wolkenkrabber, die ik sindsdien niet meer gezien had. Hij stortte zich op me en omhelsde me oprecht, met tranen in zijn ogen, zonder te weten wat hij moest zeggen of hoe hij me moest bejegenen. Na een gehaaste gedachtewisseling, omdat zijn bus er net aan kwam en de mijne op het punt stond te vertrekken, zei hij met een geestdrift die me in mijn ziel raakte: ‘Wat ik niet begrijp, don Gabriel, is waarom u nooit hebt gezegd wie u was.’
‘Ach, mijn beste Lácides,’ antwoordde ik, meer aangedaan dan hij, ‘dat had ik u niet kunnen zeggen, omdat ik tot op de dag van vandaag zelf niet eens weet wie ik ben.’
Uren later, in de taxi die me onder de ondankbare en transparantste hemel ter wereld naar het vliegveld van Barranquilla bracht, drong het ineens tot me door dat we op de avenida Veinte de Julio reden. In een reflex die al vijf jaar deel uitmaakte van mijn leven, keek ik naar het huis van Mercedes Barcha. En daar zat ze, als een standbeeld in het portiek, slank en ver weg, en stipt volgens de mode van het jaar gekleed in een groene jurk met goudgeel kantwerk, het haar geknipt als zwaluwenvleugels en met de diepe rust van een vrouw die wacht op iemand die niet zal komen. Ik kon het trillende gevoel in mijn borst dat ik haar op een donderdag in juli op zo’n vroeg tijdstip voor altijd zou verliezen niet onderdrukken, en heel even dacht ik erover de taxi te laten stoppen om afscheid te nemen, maar ik wilde liever niet nog eens een zo onzeker en hardnekkig lot als het mijne tarten.
Toen het vliegtuig al in de lucht was, voelde ik nog steeds buikkrampen van spijt. Er bestond toen nog de goede gewoonte om in de rugleuning van de stoel vóór je iets te stoppen wat ‘schrijfbenodigheden’ heette. Een stukje papier met gouden biesjes en een omslag van hetzelfde roze, roomkleurige of blauwe linnenpapier, dat soms geparfumeerd was. Op mijn weinige voorgaande reizen had ik ze gebruikt om afscheidsgedichten op te schrijven, waar ik dan vogeltjes van vouwde, die ik bij het verlaten van het vliegtuig in de lucht gooide. Ik koos een hemelsblauw velletje en schreef mijn eerste serieuze brief aan Mercedes, die om zeven uur ‘s morgens in het portiek van haar huis had gezeten, in haar groene bruidskleed zonder bruidegom en met het haar van een rusteloze zwaluw, zonder zelfs maar te vermoeden voor wie ze zich die ochtend had aangekleed. Ik had haar weleens eerder speelse briefjes gestuurd die ik uit de losse pols had geschreven, en dan kreeg ik alleen mondelinge en altijd ontwijkende antwoorden wanneer we elkaar toevallig tegenkwamen. Dit briefje wilde niet meer zijn dan vijf regels om haar officieel te laten weten dat ik op reis was. Toch voegde ik een postscriptum toe dat me verblindde als een bliksemstraal midden op de dag toen ik er mijn naam onder zette: ‘Als ik binnen een maand geen antwoord op deze brief krijg, blijf ik voor altijd in Europa.’ Ik gunde mezelf nauwelijks tijd om er nog eens over na te denken voordat ik de brief om twee uur ‘s nachts op het verlaten vliegveld van Montego Bat in de brievenbus gooide. Het was al vrijdag. De donderdag daarop vond ik, toen ik na weer een nutteloze dag van internationale meningsverschillen mijn hotel in Genève binnenging, de brief met haar antwoord.

Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.

Laatste recensies

Een cynische ode aan onverschilligheid

recensie van Oscar van den Boogaard, De tedere onverschilligen door Lucas van der Deijl, 14 mei 2013

Afgebakende perfectie

recensie van Saskia de Coster, Wij en ik door Tim van Dun, 12 mei 2013

Brave New Animal Dreamworld

recensie van Peter Verhelst, Geschiedenis van een berg door Carmen Meuffels, 12 mei 2013

Adembenemende inkijk in het kermismilieu

recensie van Erik Vlaminck, Miranda van frituur Miranda door Rein Swart, 7 mei 2013

Onnavolgbaar liedje

recensie van Margriet de Moor, Melodie d'amour door Daan Stoffelsen, 6 mei 2013

Steun ons! Volg ons!