De recensent ontdekt
Blogpost door Daan Stoffelsen, 1 mei 2009 Literaire kritiek
Het was een milde lentedag, de zon had geschenen, het kwik benaderde in Amsterdam de 18 graden, en desondanks zat de zaal vol. Bijna negentig mensen kwamen voor de discussie tussen Elsbeth Etty, Marja Pruis en Arie Storm over literaire kritiek, over hoe zij literatuur ontdekken, hoe zij omgaan met andermans recensies, laten zij zich beïnvloeden, raken ze nieuwsgierig, willen ze reageren? Zijn er critici op wier oordeel zij blind varen? En wat verandert er, als opeens je eigen boek besproken wordt? Hoe ontdekt de recensent literatuur, wat is er nog te ontdekken aan de recensent? Belangrijke vragen, met een persoonlijke dimensie – de avond van 21 april was minder mild dan de dag was.
Over ontdekkingen gesproken. Arie, heb jij recent nog een ontdekking gedaan?
‘Een ontdekking… ik heb onlangs de hervertelling van de Canterbury Tales door Peter Ackroyd besproken, en dat vond ik wel goed. Maar om nu een eeuwenoud boek als ontdekking te noemen, in de bewerking van een gevestigd auteur…’
Marja, wat was jouw eerste ontdekking? Was er een boek dat je in beweging heeft gezet?
Beslist: ‘ Kaas. Kaas van Elsschot was mijn entree in de wereld van de literatuur. Het opende mijn ogen voor wat literatuur kon. Ik verzamelde vanaf dat moment eigenlijk recensies en hield in schriftjes bij wat ik zelf las. Nog steeds, trouwens.’
Hoe liep dat bij jou, Elsbeth?
‘Bij het vak Nederlands op de middelbare school moesten wij een recensie schrijven. Ik bleek het niet alleen leuk te vinden, maar ook goed te kunnen. En dat had de rest ook door: ik werd door mijn klasgenoten steeds gevraagd om ook hun recensies te schrijven. En dat deed ik dan ook graag. Daar ben ik geoefend geraakt.’
Bedankt voor deze korte introductie. De ‘oorzaak’ van deze avond ligt op 30 november 2008 toen Jeroen Vullings, chef boeken van Vrij Nederland, tijdens een discussieavond de stelling poneerde dat een recensent, om onafhankelijk en onbevooroordeeld te zijn, eigenlijk geen andere recensenten moet lezen. Ik nam het toen van hem aan, maar er begon iets bij me te knagen. Kán dat wel, en is het wel nastrevenswaardig?
Arie Storm: ‘Ik lees alles, ook recensies van collega’s. En nee, ik ben niet bang dat dat mijn eigen stukken over dezelfde boeken beïnvloedt. Meestal verschijnen zulke stukken gelijktijdig, en zou dat niet zo zijn: ik laat me niet beïnvloeden.’
Marja Pruis: ‘Ik probeer het zo zuiver mogelijk te houden en lees daarom geen recensies van anderen. Ik scan wel wie wat heeft gelezen en besproken.’
Elsbeth Etty: ‘Om terug te komen op die literaire middag: Vullings relativeert zijn eigen werk niet voldoende. Ik denk niet dat het kan wat hij zegt, en dat het goed zou zijn. Ik kijk altijd naar wat anderen hebben geschreven, zodat ik weet of ik wat gemist heb.’
Vullings had het die middag veel over zijn ‘ontdekking’ van Pia de Jongs Lange dagen. Marja, Elsbeth, jullie bespraken het ná Vullings.
MP: ‘Ik geloof niet zo in Jeroen Vullings’ ontdekking: een recensent wordt, ver voordat hij erover heeft geschreven, van vele kanten gewezen op een boek zodat je nooit kunt spreken over een “ontdekking”.’
Maar jullie hadden Vullings’ stuk wel gelezen.
EE: ‘Ik lees Jeroen Vullings niet zo veel, ben het ook weinig met hem eens, maar nu was ik het wel met hem eens. Ik ben Lange dagen na die recensie gaan lezen, en ging ook Nooit meer slapen van Hermans herlezen. Ik ontdekte toen dat daar nog veel meer uit ontleend was dan Vullings al opmerkte.’
Maar wilden jullie niet reageren? Want dat zou Vullings afwijzen, en het past ook wel in jouw verhaal over zuivere kritiek, Elsbeth.
EE: ‘Ik betoogde toen inderdaad dat te veel recensenten polemiseren met de achterflap of met andere recensenten. Arie doet dat bijvoorbeeld.’
AS: ‘Ik vind dat niet principieel fout, maar ik doe het niet. Heb je een voorbeeld?’
EE: ‘Nou, het was niet in een recensie, maar toen jij afgelopen december je lijstje beste titels opgaf, zei je iets als: andere recensenten mochten dit een slecht boek vinden, dat hebben ze fout, ik vind…’
MP: ‘Maar dat is geen recensie. Wat je wel doet, en ik denk dat we dat allemaal doen, bewust of onbewust, is polemiseren met de reputatie van een schrijver.’
EE: ‘Maar dat moet, tot op zekere hoogte wel kunnen.’
Het ging je, bij die zuivere kritiek ook om vriendschappen en vijandschappen tussen critici en auteurs, Elsbeth.
EE: ‘Ja, ik vind dat je elke verdenking uit de weg moet gaan van vriendjespolitiek, elke suggestie van oud zeer moet vermijden.’
Maar kan dat?
MP: ‘Ik schrijf liever niet over “vrienden”, maar na vijf jaar recenseren ken je bijna iedereen, dus dat is lastig scheiden.
EE: ‘Bij de redactie van NRC Handelsblad hanteren we strikte stelregels: als je een relatie met de auteur hebt, een van haat, liefde, vriendschap of anderszins, dan recenseert een ander redactielid.’
MP: ‘Wij hebben bij De Groene Amsterdammer de regel dat we elkaar niet bespreken, en Kees ‘t Hart en ik overleggen altijd wie welke auteur doet, dan kijken we altijd naar hoe close we zijn met mensen.’
EE: ‘Ik leg de grens van “kennen” bij bij elkaar op de verjaardag gaan.’
AS: ‘Ik zie de problemen niet zo. Je moet eerlijk zijn in recensies, ook als je banden hebt met het boek of de auteur. Daarbij komt dat ik niet zo met vriendschappen zit.
MP: ‘Mee eens. Een eerlijke recensie, zelfs als die negatief is, is beter te “verkopen” aan vrienden dan een onterechte positieve recensie.’
Het Diner van Herman Koch werd een hype en bijna unaniem positief besproken totdat Marja Pruis een kritische aantekening maakte. Toen volgde Arnold Heumakers in NRC Handelsblad, met een groot stuk waarin hij het boek aanviel.
AS: ‘Over dat “unaniem positief” valt nog wel wat te zeggen. Maar Koch is een goede schrijver, al is Het diner zijn zwakste boek. Er zit een plot in, daar houd ik al niet zoveel van, en dat heb ik in mijn recensie ook duidelijk gemaakt. Ik was dan ook verbaasd over het bijschrift bij Heumakers’ stuk dat het boek “juichend ontvangen” was, want dat had alleen Pieter Steinz, in diezelfde krant gedaan. Zo kan ik ook een discussie creëren: eerst positief zijn, zeggen dat iedereen dat was en vervolgens daar tegenin gaan. Bovendien is het gewoon niet netjes: je ziet het uitgeverijen ook doen, een deel van een zin uit de context halen om een negatief oordeel om te zetten in een aanprijzing. Ik heb dat bij Pieter Steinz [in zijn hoedanigheid van chef Boeken] aangekaart, maar die wilde niet rectificeren.’
EE: ‘Je kunt inderdaad beter niet polemiseren met collega’s, wat dat betreft was het kadertje bij Heumakers’ stuk ongelukkig. Maar het principe dat een krant zijn oordeel over een boek kan hernemen, vind ik wel erg aantrekkelijk. Wij hebben het eerder al eens met De welwillenden van Jonathan Littell gedaan bijvoorbeeld.’
AS: ‘Maar Steinz, hij zei nota bene dat ik bij hem aan het goede adres was, hij had het kadertje geschreven, heeft niets met mijn kritiek gedaan. Heb je een verkeerde quote gebruikt, rectificeer dan.’
MP: ‘Wij vergelijken bij De Groene Amsterdammer wel vaker met andere media omdat we een weekblad zijn en maar een kleine redactie hebben en boeken dus niet meteen recenseren.’
Je interviewde Koch de dag nadat je licht kritische stuk over zijn boek verscheen.
MP: ‘Ja, ik had die klus al een tijd eerder aangenomen, en toen ik me realiseerde dat ik het boek niet helemaal fantastisch vond, heb ik besloten toch eerlijk te zijn. Die avond voelde ik me wel behoorlijk opgelaten. We spraken elkaar even kort voor het openbare interview, en dat ging over koetjes en kalfjes, maar ik ben na een openingsvraag al snel ingegaan op mijn kritiek. Je zag Koch ontspannen, en toen werd het nog een heel interessante avond.
EE: ‘Ik denk dat ook de enige juiste volgorde is. Je kunt beter eerst recenseren en dan pas interviewen.’
Onze derde casus is Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, het Boekenweekgeschenk van 2009. Arie, wat vond jij? Je bent niet zo’n fan van het boekenweekgeschenk toch?
AS: ‘Ja, kijk, hier, ik zeg het ook in mijn recensie. Het boekenweekgeschenk is een raar fenomeen, het heeft iets opgelegds, iets kunstmatigs. Je legt literatuur, kunst een deadline op, en een beperkt aantal woorden, en daarmee wordt het verjournalistiekt. Krabbé heeft zich er, gegeven de omstandigheden, goed uit gered.’
MP: ‘Dat blijkt ook uit de inleiding van je stuk, maar daardoor heb je de toon wel heel negatief gezet. Als je zo bevooroordeeld bent over het fenomeen alleen al, zou je er geen recensie over moeten schrijven.’
AS: ‘Mijn negatieve oordeel had uiteindelijk ook niets te maken met het feit dat het een boekenweekgeschenk was. Ik had gewoon beter verwacht. Krabbé is een industrieel schrijver. Hij komt tot grote hoogten als hij twijfelt aan het eind van zijn roman. Die deadline zal hem die mogelijkheid hebben ontnomen.
EE: ‘Maar er zijn ook geslaagde boekenweekgeschenken. Hella Haasse kon met Oeroeg wel een meesterwerk afleveren binnen de beperkingen die haar gesteld werden.’
AS: ‘Haasse schreef Oeroeg als inzending op een prijsvraag, zonder deadline en niet in opdracht. Voor het zelfde geld had ze er al acht jaar over gedaan.’
Marja, jij schreef een column over de recensies over het boekenweekgeschenk.
MP: ‘Cultuurredacties in Nederland hebben ieder een heel erg eigen gezicht: de Volkskrant is altijd negatief in zijn recensies, NRC Handelsblad recenseert welwillend. Dat is heel opvallend, de ene krant is zuur, de ander zoet.’
EE: ‘Ik denk dat er inderdaad verschillen in toon zijn. Bij ons ligt er sterke nadruk op zorgvuldigheid, we proberen kritisch te zijn op onze eigen kritiek. Een groot aantal recensies dat gepubliceerd wordt in Het Parool en de Volkskrant zou bij NRC Handelsblad niet door de kwaliteitscontrole heen zijn gekomen.’
AS: ‘Omdat mijn recensies onder “de afdeling cabaret” vallen, Elsbeth? Kom op zeg, je hebt dat nu gezegd in dat stuk over zuivere kritiek, maar waarop baseer je dat?’
MP: ‘Ik vind overigens wel dat er uitzonderingen zijn op die toon. Elsbeth, jouw recensie van de dagboeknotities van Arthur Japin was destijds heel scherp.’
EE: ‘En ik heb me ingehouden.’
MP: ‘Maar moet je zo’n boek dan wel bespreken? Ik heb het gevoel dat je dat vaker doet, dat je dat genre bespreekt terwijl je weet dat het je niet ligt.’
EE: ‘Dat herken ik niet, en al was niemand anders in de redactie voor het boek te porren, ik ben met onbevangen nieuwsgierigheid aan Japin begonnen. Maar ja, het nadeel van een slecht boek is dat het weinig ruimte krijgt waardoor het oordeel, korter en scherp geformuleerd, harder aankomt.’
MP: ‘Toch had je dat boek dan misschien moeten teruggeven.’
Bij de Volkskrant is men kortgeleden overgestapt op een andere vorm voor het etaleren van haar kunstrecensies. ‘Cicero’ is drastisch teruggesnoeid en van een andere naam voorzien. Gaat het de verkeerde kant op met de literaire kritiek?
EE: ‘Ik maak mij zorgen over het verdwijnen van deze bijlagen. Een terugkerend argument van hoofdredacties is dat het de lezer niet meer zou interesseren. Ze vragen om steeds kortere en steeds toegankelijkere stukjes. Zelfs recensenten lijken er niet meer in te geloven, getuige de tendens tot cabareteske besprekingen. Het door een aantal bladen gehanteerde sterrensysteem nodigt misschien niet eens meer uit tot het lezen van de volledige recensie.’
MP: ‘Ik ben niet zo van het cultuurpessimisme. Ik geloof niet dat de literaire kritiek verdwijnt. Het is vaak genoeg gezegd van De Groene Amsterdammer , dat we zouden verdwijnen, maar we komen steeds weer boven.’
Jullie hebben alle drie fictie op jullie naam staan. Ben je in eerste instantie auteur of juist criticus?
AS: ‘Ik ben in eerste instantie auteur. Mijn eerste roman publiceerde ik in 1994 en pas vanaf 2001 ging ik recenseren. Ik zeg wel eens dat je je roman met je rechterhand schrijft en recensies, maar ook vertalingen, met je linkerhand. Overigens is het in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië usance dat je beide bent.’
MP: ‘Bij De Groene Amsterdammer zijn de meeste recensenten auteur. Ik vind ook dat het werk in elkaars verlengde ligt, want voor allebei geldt dat het kunststukjes zijn. Je stelt er dezelfde eisen aan.’
Oordeel je beter door je auteurschap?
MP: ‘Ja, ik denk het wel. Je hebt een scherpere analytische blik. Die blik kan soms ook in de weg zitten, want voor recenseren heb je een bepaalde dosis empathie nodig. En daar heb ik, vooral als ik zelf bezig ben met een boek, soms weer te veel van. Dan recenseer ik ook een tijdje niet.’
EE: ‘Ik voel me in de eerste plaats journalist, gespecialiseerd in de recensie en de column, géén literair auteur. Ik denk ook niet dat auteurs beter kunnen recenseren, het is gewoon een ander vak, een journalistiek vak.’
Hoe verhoudt het schrijven van Maak je zelf maar klaar zich dan tot je journalistieke werk?
EE: ‘In de eerste plaats: ik heb het in mijn vakantie geschreven. Het was een verzoek van de Bezige Bij, om ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Harry Mulisch een van zijn personages te nemen voor een nieuw boek. Ik heb die opdracht gebruikt voor een vorm van literaire kritiek op basis van zijn eigen werk, eigenlijk een anti- Ontdekking van de hemel vanuit het perspectief van de vrouw. En daarvoor heb ik geleend uit de echte Ontdekking, zozeer dat sommige van mijn zinnen heel pittige stijlkritiek hebben gekregen, terwijl die van Mulisch waren.
AS: ‘Eigenaardig, om in een hommage aan Mulisch zijn slechtste kanten te laten zien.’
EE: ‘Die paar mindere zinnen zijn niet het hele boek. Bovendien, het wordt niet door mij, maar door anderen beschouwd als een roman.’
We zitten hier met twee grieperige recensenten. Is dit werk niet te zwaar? Arie zei vorig jaar nog dat zijn boekenkast liet zien dat hij van lezen houdt, maar kort daarop schreef Herman Stevens in NRC Handelsblad : ‘Waarom willen mensen boeken bespreken? Je hebt jongens die brandweerman willen worden, meisjes die willen zingen, maar waarom zou iemand criticus willen worden? Er geldt immers één ongeschreven regel in de literaire kritiek, en die schrijft voor dat de criticus nooit blijk mag geven van zijn plezier in de literatuur. Een echte criticus haalt met grote tegenzin de recensie-exemplaren uit de brievenbus. Alweer een boek…’
MP: ‘Ik heb er nog wel lol in hoor, maar als je er echt geen plezier meer in hebt of niet meer nieuwsgierig bent moet je ermee stoppen. De teneur bij Nederlandse recensenten is in principe negatief en dat onderscheidt ons van andere landen. We zeiken liever af. Het is ook makkelijker om ergens negatief over te schrijven. Je glorieert dan zelf. Maar ik merk wel dat het moeilijker wordt boeken te vinden die ik echt goed vind.’
EE: ‘Als je een boek slecht vindt, moet je het niet recenseren, maar teruggeven.’
MP: ‘Ja, en na al die jaren recenseren verlies je je onbevangenheid.’
AS: ‘Ik recenseer nog met veel plezier en ben volgens mij vaker positief dan negatief. Maar wat betreft de stelling dat we in Nederland negatiever zijn dan in het buitenland: in de Guardian is de helft van de recensies ook negatief. En John Updike boorde Saul Bellow consistent de grond in. Alleen in België valt de auteur in een warm bad. En dan hebben we het alleen over literatuur uit eigen land. Buitenlandse literatuur wordt in Nederland vaker positief besproken in de veronderstelling dat er al een selectie is gemaakt – wat niet altijd waar is. Daarnaast: Nederland is klein en er verschijnt relatief veel en daardoor ook veel troep.’
MP: ‘Het meeste van wat er in Nederland verschijnt is middelmaat.’
Mijn laatste vraag: na alle negatieve overwegingen, welke critici lezen jullie nog met bewondering?
EE: ‘Op Daniel Mendelsohn, Amerikaans literair recensent, kan ik blindvaren. Zijn recensies zijn goed geschreven en goed beargumenteerd, zo goed dat je soms het gevoel hebt dat je het boek niet meer hoeft te lezen.’
MP: ‘Ik heb er even over moeten nadenken, maar Hans Bouman van de Volkskrant, die de Engelse literatuur bespreekt, dat is voor mij een voorbeeld. Hij gaat nooit tussen jou en het boek staan. Hij plaatst het boek in het oeuvre van de auteur, gebruikt geen “ik” en is to the point.’
AS: ‘Ik moest denken aan J. Hillis Miller, de Amerikaanse literatuurwetenschapper, en aan Frans Kellendonk, hij legde al eens uit dat een roman nooit echt is en dat je dat ook moet je laten zien. Maar als ik toch moet kiezen, dan denk ik aan Peter Ackroyd. The Collection. Journalism, reviews, essays, short stories, lectures toont de criticus op zijn scherpst en geestigst. Zijn recensie van Gabriel García Marquez, De herfst van de patriarch, begint met het vaststellen van een soort positieve common sense over Marquez’ oeuvre, om die vervolgens langzaam af te breken. Erg sterk.
Het publiek vraagt door
De onbevooroordeelde recensent: streef je het na of geloof je er heilig in?
EE: ‘Ik streef het na. Het is een voorwaarde in de journalistiek, maar het feit dat literaire kritiek subjectief is, maakt het moeilijk.’
MP: ‘Je volgt een auteur en weet dan of iemand goede boeken schrijft, maar je moet je blijven laten verrassen. Je moet blijven proberen over je eigen schaduw heen te springen.’
Hoe machtig is de recensent?
EE: ‘Een recensent moet zich niet bezig houden met de verkoop van een boek. Ik ben me weinig bewust van de macht die ik heb en prijs mezelf daarmee gelukkig, want het zou me anders beperken. Mijn ambitie is het schrijven van een goed stuk met een goede argumentatie en niet om de verkoop positief dan wel negatief te beïnvloeden.’
MP: ‘Meen je dat nou? Het medium waar jij voor schrijft maakt je machtig en ook je bijkomende kwalificaties zoals een hoogleraarschap of een jurylidmaatschap. Ik zou willen dat ik jouw macht eens had, dat een boek dat ik positief besprak ook een bestseller werd.’
AS: ‘Ook bij een negatieve bespreking vliegt een boek soms de deur uit, ik heb niet het gevoel dat we veel macht hebben. Hoewel, als ik een boek bespreek bij de Tros Nieuwsshow, dan heeft dat wel invloed volgens mij. Maar goed, dan heb je 800.000 luisteraars, en dat is een ongelooflijke luxe.’
Maar wil je machtig zijn?
AS: ‘Ik heb, en ik zeg het met schroom, de neiging opvoedkundig te zijn. Ik wil uitleggen wat goede stijl is.’
Jullie lijken me alle drie persoonlijkheden. Mag het sterke karakter van een recensent in de recensie doorklinken?
AS: ‘Ja, het is jouw mening, jij bent de recensent, natuurlijk.’
MP: ‘Nou, als je persoonlijk te aanwezig bent in een recensie heeft dat niets meer met objectiviteit te maken.’
Jullie hadden het al even over het verdwijnen van de boekenbijlagen. Wat denken jullie, is de toekomst van de literair recensent?
EE: ‘Ik ben pessimistisch. Ik kan me goed voorstellen dat over drie of vier jaar kranten samengevoegd worden en er geen bijlagen meer zijn. En nu al is de enige losse bijlage die van NRC Handelsblad. En concurrentie is juist zo nodig, want daar wordt iedereen beter van. Maar ik hoop dat recensiesites de taak van boekenbijlagen ten dele zullen overnemen.’
MP: ‘Ik zei het al: de literair recensent blijft bestaan zolang mensen boeken lezen.’
Jullie benadrukten het al: de wereld van auteurs en recensenten is klein. Wie maakt de keuze welk boek besproken wordt? Want in tegenstelling tot een programma als Tussen kunst en kitsch komt niet iedereen met zijn eigen boek bij jullie aan bod.
AS: ‘Je kijkt naar de reputatie van de auteur en van welke uitgever het boek komt. Soms krijgt de krant ook een promotiebombardement van de uitgever. In de redactie wordt vervolgens besproken wie welk boek bespreekt. Maar los van al die mechanismes: ik ben ervan overtuigd dat als een boek echt goed is, het ook komt bovendrijven.’
Met dank aan Mina Witteman.
Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.
Meer van deze Recensent
Preutsheid en het perspectief van een poes
Blogpost door Daan Stoffelsen, 12 mei 2013
in Seks en literatuur
Onnavolgbaar liedje
door Daan Stoffelsen, 6 mei 2013
Korte zinnen met lucht
door Daan Stoffelsen, 17 april 2013
Boeken kopen voor en schenken aan Recensieweb
Blogpost door Daan Stoffelsen, 9 april 2013
in Recensieweb
Gemakkelijke snelheid, oude beschaving en ongemakkelijke inzichten
door Daan Stoffelsen, 18 maart 2013
Het kleine groot en het verre dichtbij
door Daan Stoffelsen, 15 maart 2013
in Boekenweek
Lees meer van deze recensent...
Elders op internet
De Amsterdamse Lezing - een niet mals verslag van de avond