Dom en heldhaftig

door Eveline Vink, 20 november 2006

Gustaaf Peek (1975) debuteerde afgelopen zomer met de roman Armin. Het verhaal in een notendop: Armin is verloskundige in een Lebensbornkliniek in nazi-Duitsland, waar ariërs ‘gefokt’ werden. Een patiënte op wie hij verliefd is sterft in het kraambed en Armin adopteert haar zoon, die hij ook Armin noemt. Verpleegster Irma neemt op zijn verzoek de kleine Armin mee op haar vlucht naar Nederland, waar ze hem opvoedt als haar zoon. Ten slotte neemt een volwassen Armin het vaderschap op zich van vondeling Ben.

Recensieweb was aangenaam verrast door dit debuut, en werd nieuwsgierig naar de mysterieuze auteur die volgens de flaptekst ‘nergens vandaan’ komt. Eveline Vink sprak hem in een grand café in Den Haag over afkomst, fotografie, en schrijverschap.

Het grote thema in je roman is familie, maar de hoofdpersonen zijn geen van allen bloedverwant van elkaar. Hoe zit dat?

Ik wilde onderzoeken hoe het zit met familie: zit het verband in het bloed of in het hart? Familiebanden zijn overdrachtelijk, denk ik, gaan verder dan een bloedband. De hoofdpersonen uit Armin hebben allemaal geen echte familie. Ze zijn alleen, dus ze hebben de wil tot familie. Ze moeten op zoek naar mensen om zich mee te verbinden. Dat is nog moeilijker als je jong bent. Wie vecht er voor je? In Armin hebben de personages allemaal een vrij dramatische jeugd, dat is waar, maar daarmee wil ik niet zeggen dat het per se makkelijker is met een biologische familie. Iedereen krijgt klappen.

Komt je fascinatie met afkomst voort uit eigen ervaringen?

Misschien wel een beetje. Afkomst speelde bij ons altijd. We waren de enige donkere familie in het dorp. Mijn bloed is gemengd Engels, Duits en Indisch, dat kwam allemaal samen in Nederland. Je bent je er altijd bewust van.

Je afkomst – je bent een Peek van Peek & Cloppenburg – heeft je bovendien geen windeieren gelegd. Je leeft van een erfenis en daardoor kan je al een aantal jaren fulltime schrijven. Toen je dat besloot, had je nog niets gepubliceerd. Moet je jezelf dan niet ontzettend serieus nemen als schrijver?

Ik had wel vertrouwen in het schrijven. Ik wilde de tijd nemen om te bewijzen dat ik het kon. Ik gaf mezelf zes jaar. De eerste twee jaar heb ik alleen maar poëzie geschreven. Ik had de verhalen al, nu wilde ik de woorden vinden. Ik moest de taal leren gebruiken. Er is een aantal gedichten gepubliceerd in tijdschriften. Daarna begon ik korte verhalen te schrijven. Uiteindelijk vond ik nét binnen zes jaar een uitgever. Ik weet niet wat ik had gedaan als het niet binnen die termijn gelukt was. Toch gewoon doorgegaan waarschijnlijk.

Is het leven van een schrijver er niet een van isolement?

Ik heb niet het gevoel langs de zijlijn van het leven te staan doordat ik fulltime schrijf. Ik schrijf zo’n 1000 woorden per dag. Ben ik daar ’s middags om twee uur al mee klaar, dan ga ik naar buiten, fotograferen. Volgens mij ben ik geen kluizenaar of iets dergelijks geworden, mijn vrienden zeggen niet dat ik veranderd ben. Of ik ben inmiddels zo’n vreemde vogel dat ze het er maar helemaal bij laten zitten! Nee, de wereld vindt mij altijd wel, dringt zich wel aan me op.

Je fotografeert dus ook. Wat is er belangrijker?

Schrijven zal altijd nummer één blijven. Misschien maak ik ooit nog een boek met foto’s en eigen tekst. Het is ook een mooie combinatie, schrijven en fotograferen. Schrijven doe ik binnen, om te fotograferen ga ik de straat op. De foto’s tonen de buitenkant, daarin breng ik alles zonnig in beeld. Het schrijven gaat om de binnenkant, en dan ben ik veel harder. Het wereldbeeld in mijn boeken is dan ook donker, in mijn foto’s ben ik barmhartiger.

Je bent onder de hoede van literair agent Paul Sebes gedebuteerd, net als onlangs Arjen Lubach. Eerder hielp hij Walter van den Berg en Niels ‘t Hooft aan een uitgever. Heb je het gevoel uit te maken van een soort Sebes-stroming?

Nee, helemaal niet. Ik vind het vreemd om met Lubach vergeleken te worden. Ik las zelfs laatst dat iemand vond dat hij en ik allebei gehyped zijn. Ik, gehyped?! Ik wacht nog op het telefoontje van De Wereld Draait Door, dan kom ik graag langs. Dat we dezelfde agent hebben is de enige overeenkomst, onze boeken zijn totaal verschillend. Het verwijt dat ‘de recente debutanten’ allemaal bang zijn voor lange zinnen is ronduit generaliserend. Ik doe dat met opzet, ik denk lang na over elk woord, elke zin, elke alinea. Het moet niet alleen kloppen qua betekenis, het moet ook de hardop-test doorstaan. Ik lees het aan mezelf voor. Als het bij mij hardop al niet klinkt, moet het anders. Dan kan ik een woord vervangen door een korter of langer synoniem, of de zinsbouw veranderen.

Denk jij aan je lezers tijdens het schrijven?

Ik denk alleen aan het verhaal. Als het helemaal af is krijgt eerst mijn vriendin het te lezen, dan andere vrienden en familieleden, en bij mijn komende boek natuurlijk mijn uitgever en agent. Van je andere lezers krijg je dan nog helemaal geen feedback, en dat is eigenlijk vreemd – in een gewone baan zegt je baas of iets wel of niet goed is. Daarom vind ik optredens erg leuk, dan heb ik veel directer contact met de lezers. Ik hoop dat ik het voor elkaar krijg om de lezers een beeld voor te spiegelen, ze er iets bij te laten denken, en uiteindelijk iets te laten voelen. Dat er iets verandert bij de lezer, dat is het hoogst haalbare. Ach, uiteindelijk is tijd de beste criticus. Op de middelbare school las ik Tropic of Cancer van Henry Miller. Ik dacht: is dit ook een boek? Kan het ook zo? Mijn hele beeld van wat een roman moest zijn veranderde. Dat boek was toen al zestig jaar oud.

Waar werk je op dit moment aan?

Een nieuwe roman, weer met een hoop ellendige omstandigheden. De wereld trekt aan de personages, maar ze vechten terug om vrij te kunnen zijn, net als in Armin. Verder vertel ik er niets over! Ja, dat het in 2008 uitkomt. Daarnaast heb ik laatst mijn eerste boekrecensie geschreven voor De Groene, maar ik heb al besloten dat ik dat niet kan combineren met zelf schrijver zijn. Ik mag nu recensies schrijven over fotografie en tentoonstellingen. Andermans boeken beoordelen is niet mijn taak. Als recensent ga ik te veel denken in literaire trucs en technieken, dat komt mijn eigen creatieve proces niet ten goede. Als schrijver moet je ook niet al te veel nadenken over boeken, dan denk je: zo’n goed boek schrijf ik nooit! Schrijvers zijn dom, maar heldhaftig. Overmoedig. Die moed leidt tot kunst.

Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.

Eveline Vink Eveline Vink (1980) deed de pabo, maar ging haar baan in het onderwijs al snel combineren met werken in een literaire boekhandel. Nu is ze freelance journalist voor diverse tijdschriften en websites, ze schrijft onder andere over jeugdliteratuur.

Steun ons! Volg ons!