Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Schaduwjury: menselijke relaties, broos als eierschalen

door Lotte Brugman, Laurens Ham, Karlijn de Winter en Bert Zuidhof, 30 juni 2009

Wie schreef het beste fictiedebuut van 2008? De jury van de Academica Debutantenprijs selecteerde alvast vijf titels. De keuze voor wie de prijs op 27 september 2009 uiteindelijk ontvangt ligt nu bij de lezers. Recensieweb leest mee, en heeft daarvoor een schaduwjury in het leven geroepen. In vijf afleveringen wordt daarin gediscussieerd over de genomineerde boeken. In deze tweede aflevering van juni bespreekt de schaduwjury Janneke van der Horsts Ik weet hoe jongens huilen.

Bert: Jammer genoeg niet altijd even compact en uitgebalanceerd
In de dertien verhalen uit de bundel Ik weet hoe jongens huilen komen jonge mensen aan het woord, vooral vrouwen en meisjes, en een enkele jongeman. Meestal is er een ‘ik’ aan het woord , van wie de naam soms verraden wordt maar vaak ook onvermeld blijft. Wat de verhalen en personages bindt is de ietwat getroebleerde verhouding met de mensen uit hun naaste omgeving. Relaties tussen familieleden, vriendschapsbanden, kortom: de chemie van de aantrekking en afstoting van mensen. Maar ook de spanningen in de mens zelf, en de vraag: welke gebeurtenissen uit het verleden bepalen het heden? Janneke van der Horst schetst levens waarin iets hapert, waarin iets achter een klein maar venijnig uitsteeksel blijft hangen en de evenwichtige verhouding met de omgeving broos is. In de woorden van Timo (‘Nachtbeugel’): ‘Als ik erover zou beginnen, zou het zijn alsof ik aan een los draadje trok van een wollen trui.’

Van der Horst kiest ervoor om in haar debuutbundel de nadruk te leggen op wat ik haar grote kwaliteit vind: het bereiken van een juiste balans tussen een kernachtig onderwerp en de realistische beschrijving daarvan. Ze geeft niet toe aan de neiging te groots of te bombastisch in te zetten: ze weet haar verhalen klein, en daardoor krachtig te houden.

Neem bijvoorbeeld het ijzersterke verhaal ‘Een dandy en een prinsesje’. Een bemoeizuchtige, ietwat hysterische moeder gaat een dagje weg, en laat vader (dandy) en dochter (prinsesje) alleen achter; ze hebben ‘v.v.m.s.’: vrij van moeder en school. Ze bloeien tijdens dit dagje helemaal op, en pas als de vader aan het einde van het verhaal voor de trein springt wordt duidelijk hoe beknellend het huisleven geweest moet zijn, en volgt in volle omvang het besef van de vreugde van die dag. Van der Horst maakt deze spanning nergens expliciet, maar gevolg is wel dat achter het verhaal van nog geen vijf pagina’s een wereld schuilt die overtuigend uit het papier tevoorschijn komt. Wat het verhaal fantastisch omlijst, is de rode draad van de beginzin: ‘De dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, verloor ik mijn fietssleutel en mijn vader’, verderop gevolgd door ‘De ochtend van de dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, en mijn fietssleutel en mijn vader verloor, was mijn moeder in alle vroegte vertrokken.’ Raak, functioneel, krachtig.

Van der Horst lijkt al haar geld op deze kwaliteit in te zetten. Daarom is het zo jammer dat ze de plank precies op dit punt ook vaak misslaat; soms is de wisselwerking tussen stijl en onderwerp verdwenen. Het dunne verhaaltje ‘Zo is het leven’ beschrijft een telefoongesprek tussen een ongeïnteresseerde vriend en een gedeprimeerd meisje, en lijkt alleen geschreven te zijn om de – ook niet ijzersterke – beeldspraak ‘het leven lijkt op zwemles’ te introduceren. Of ‘Baconscene’, waarin twee studentes een onenightstand op een pijnlijke manier de deur wijzen; flauw, het valt uit de toon, en het thematische laagje van de leegte van de meisjes is, inderdaad, slechts een laagje.

Wat ook erg jammer is, is dat het realisme vaak te vergezocht is. ‘Hij wiegde zachtjes heen en weer als een schommel waar een kleuter al een poosje geleden van af is gesprongen.’ Of: ‘Wanneer de stukjes aan de binnenkant van de beker bleven kleven, bewoog ik de beker voorzichtig heen en weer zodat de stukjes kurk me weer deden denken aan de dobberende bejaarden in het ronde zwembad bij het appartement.’ En: ‘Hij had teruggezwaaid maar moeizaam. Zijn arm ging op en neer als een oude boom in een lichte storm’. Allemaal te vergezocht, gekunsteld; het lijken doorgeschoten vingeroefeningen. Waarom is niet elke beeldspraak van Van der Horst zo mooi als deze: ‘Ik genoot van de aanwezigheid van Sacha. Maar ik genoot als een toeschouwer op de eerste rij bij een toneelstuk. Je ruikt het zweet, ziet slijmdraden in de mondhoeken van de acteurs maar dichter bij het verhaal kom je niet.’

Van der Horst kiest haar onderwerpen zorgvuldig uit, heeft een gouden pen, maar soms gaat die pen een eigen leven leiden, en verliest ze de controle over haar verhalen.

Laurens: Soms meer dan een saaie registratie
Het is de suggestie die dit boek de moeite waard maakt. Dat ben ik met je eens, Bert. Verhalen bieden vaak de ruimte voor suggestiviteit, juist omdat de verhaallijn niet over driehonderd pagina’s hoeft te worden uitgesmeerd en er nauwelijks plaats is voor psychologisering. De lezer moet een verhaal vaak voor de helft in zijn eigen hoofd schrijven: de tekst geeft aanknopingspunten, biedt handvatten, maar geeft uiteindelijk zelden hét antwoord op wat de hoofdpersonages voor ogen staat of wat er precies aan de hand is. De opzet van Ik weet hoe jongens huilen spreekt me dus beslist aan; een reeks ‘kleine verhalen’ die worden getoond als een aantal momenten, opgetekend door een verteller die zich veelal op de achtergrond houdt.

Inderdaad laat ‘Een dandy en een prinsesje’ mooi zien waar Van der Horst goed in is. Het verhaal is geschreven vanuit een naamloos personage, dat terugkijkt op de laatste keer dat ze haar vader in leven heeft gezien, enkele uren voordat hij zelfmoord pleegt. Hoeveel tijd er zit tussen de gebeurtenis en het moment waarop het hoofdpersonage erover vertelt wordt niet geëxpliciteerd, zodat we naar haar beweegredenen moeten gissen. Is ze inmiddels een volwassen vrouw en heeft ze haar vaders dood nooit kunnen verkroppen? Kijkt ze met afstand en verwondering naar haar naïviteit en het feit dat ze blind is geweest voor de problemen tussen haar vader en moeder?

Er wordt, hoe dan ook, nauwelijks iets verteld over de gezinssituatie en de mogelijke redenen voor de vader om zelfmoord te plegen. Dat kun je een zwaktebod noemen, maar toch biedt het verhaal voor mij genoeg aanknopingspunten om zelf aan het werk te gaan en mijn eigen versie van de geschiedenis te construeren. De ‘bemoeizuchtige’ moeder blijft voor mij weliswaar wat te veel aan de oppervlakte (helaas wordt het woord ‘bemoeizuchtig’ ook in de tekst gebruikt – waarmee iets van de suggestiviteit verloren gaat), maar de vaderfiguur vind ik intrigerend en bevreemdend. Dat komt vooral door de scène waarin de hoofdfiguur en de vader eieren gaan bakken:

‘“We eten alleen eieren die zijn geboren om eieren te blijven.” Ik had geknikt en gekeken naar de schaal vol met eieren die hij op de keukentafel had neergezet. “Je moet goed luisteren. In sommige eieren zitten kleine kuikentjes. Wanneer je die in de pan gooit, heb je veren in je dooier.” […]
“Bij twijfel altijd wegdoen,” fluisterde mijn vader en gooide het ei in de prullenbak. Na twaalf eieren hadden we twee eieren waarvan we zeker waren dat er niet in werd gepiept.’

Stilistisch is dit weliswaar geen ijzersterke scène (door de zeurderige herhaling van het woord ‘eieren’), maar hij zet wel meteen mijn verbeelding aan het werk. Probeert de vader zich al te zeer in te leven in een kinderlijke fantasie of is hij hier echt in de overtuiging dat zóveel eieren een kuiken bevatten? Meteen moet ik denken aan een verhaal dat een vriendin me eens vertelde: haar vader sloeg met een mes het kapje van zijn gekookte ei eraf en onthoofde daarmee het kuiken dat erin zat. Is het angst voor de dood die de vader, paradoxaal genoeg, een paar uur later voor de trein doet springen?

Op zulke momenten stijgen de verhalen van Van der Horst ver uit boven een saaie registratie van dingen in het dagelijks leven. Dat is helaas niet altijd het geval. Wie schrijft over het dagelijks leven, loopt het risico alleen dingen te vertellen die de lezer al weet.
Tegelijk ben ik ook niet altijd gecharmeerd van de grote drama’s waarmee sommige van de teksten zijn opgetuigd. Het openingsverhaal, ‘Haar vader en het vrouwtje’, biedt een vervelende combinatie van een opzichtig familiedrama (vader krijgt een kind in Frankrijk naar wie hij nauwelijks omkijkt, dochter uit zijn latere huwelijk ontdekt dat ze een halfbroer heeft en gaat naar hem op zoek) en een flauwe liefdesscène. Wanneer het hoofdpersonage Belle haar halfbroer gevonden meent te hebben in Frankrijk, wordt ze door hem verleid en gaat ze met hem naar bed: ‘Na een paar seconden blijkt al dat hij net zo lekker zoent als zijzelf. ’ Het thema ‘meisje voelt zich aangetrokken door haar halfbroer’ wordt in deze tekst al te veel als een vondst gepresenteerd, terwijl het verhaal nauwelijks boven het cliché uitstijgt. Van der Horst slaagt er dus niet altijd in om mij werkelijk te prikkelen, maar hier en daar is het in dit boek wel degelijk raak.

Lotte : Dingen die gebeuren, maar geen verhalen
In grote lijnen kan ik me wel in jullie oordeel vinden Laurens en Bert, maar ik heb een probleem met deze bundel dat jullie nog niet hebben genoemd. De opstelling van de hoofdpersonen is namelijk vaak ergerniswekkend passief. Zij zijn vaak ook verteller van het verhaal en geven om die reden veel inzicht in hun gedachtewereld. Maar zelfs als ze uit eigen beweging handelen, presenteren ze hun keuzes als omstandigheden buiten zichzelf, als feiten waar ze geen invloed op hebben. Slechts gedwongen door die omstandigheden gaan de personages tot actie over.

De meeste verhalen in Ik weet hoe jongens huilen gaan over gebeurtenissen die de personages overkomen. Zo heeft de hoofdpersoon in ‘Zo is het leven’ zichzelf opgesloten in haar woning, omdat ze om onduidelijke redenen ongelukkig is en ‘geen zin heeft in mensen’. Ze doet helemaal niets. Gelukkig belt ene Alexander haar op, al toont hij weinig interesse in haar ellende. Dat leidt tot een beklag over de mensheid in het algemeen: ‘Mensen hebben niets door. Of ze willen niet.’ Maar scheldt ze hem de huid vol omdat hij bot is en niet wil luisteren? Smijt ze de hoorn erop of haar mobiel uit het raam? Nee, ze wacht gelaten af tot hij zelf de verbinding verbreekt omdat zijn bus eraan komt en vreet zich stilletjes op van ergernis over zoveel gebrek aan empathie. De ‘ik’ in ‘Meisjes zijn voor het leven’ kan het ook al niet over haar hart verkrijgen eens goed stennis te schoppen, zelfs al betekent dit dat ze haar beste vriendin verliest en tegen haar zin hopeloos afhankelijk blijft van haar moeder. En dan is er nog het huisgenootje van de vertelster in ‘Baconscène’, die haar onenightstand niet zelfstandig het huis uit durft te werken, al doet ze dit onbewust wel omdat haar klachten voor hem luid en duidelijk verstaanbaar zijn door de telefoon die de vertelster op de luidspreker heeft gezet.
Dat alles zou nog een mooie manier kunnen zijn om te laten zien hoe je met passieve agressie mensen veel dieper kunt krenken dan met actieve, maar het feit dat de personages vaak willoze slachtoffers zijn van hun omstandigheden betekent ook dat de oplossing – als die al komt – alleen bij hoge uitzondering van de personages zelf afkomstig is.

Veelal worden de problemen zonder enige inmenging van de personages verholpen. In ‘Met Volle Borst Vooruit’ dwingt de vader van een dik jongetje het meisjesvoetbalteam om zijn zoon te laten meespelen. Het team sputtert wat tegen, maar biedt nauwelijks weerstand. Zo kan het gebeuren dat het kereltje op zaterdagmiddag achter de bal aanhobbelt, rood aanloopt en een hartinfarct krijgt terwijl hij zijn eerste en enige doelpunt scoort. Dat is in de eerste plaats nogal voor de hand liggend en daarbij: hoe cynisch het ook klinkt, het ‘probleem’ van het meidenteam (een onhandig dikke jongen in je team) is in één klap opgelost. Als ze vreselijk hadden geprotesteerd tegen zijn komst, of het kereltje hadden geprobeerd weg te pesten, was zijn dood veel wranger geweest en had het misschien een mooi zwartkomisch verhaal opgeleverd. Nu is het echter niet meer dan de beschrijving van een ongelukkig toeval.
Het zusje van Wanda in ‘Maak je geen zorgen om Wanda’ hoeft ook al weinig te doen om te ontdekken wat er met haar zus is gebeurd. Ze is niet echt op zoek naar een antwoord op die vraag en spreekt er nauwelijks over, al houdt het haar wel bezig. Plotseling besluit haar vader op een avond de waarheid uit de doeken te doen. Waarom blijft een raadsel, want tot dat moment lijkt hij de verloren zus te willen doodzwijgen.
Soms lijkt het of Van der Horst zelf niet meer wist hoe ze haar personages uit hun impasse moest redden. Dat is wel begrijpelijk, want het zijn sullige, passieve types die zichzelf niet op een geloofwaardige manier aan de haren uit het moeras kunnen trekken. Het alternatief is echter een deus ex machina. Hoe goed die de personages en de auteur ook van pas komt, voor de lezer is het weinig interessant.

Al met al maakt de combinatie tussen de lafhartige passiviteit van de personages en de licht gemakzuchtige instelling van de auteur dat de verhalen mij niet weten te boeien: zowel de personages als de gebeurtenissen komen niet tot leven, omdat slechts op een afstandelijke manier de werkelijkheid weergegeven wordt. Ik weet hoe jongens huilen bevat veel observaties van ‘dingen die gebeuren’, maar slechts weinig echte verhalen.

Karlijn: Maar er valt ook nog wat te lachen
In alles wat jullie al gezegd hebben vraag ik me nog één ding af: deed Ik weet hoe jongens huilen bij jullie soms ook geen glimlach op je gezicht verschijnen? Omdat er in jullie stukken al veel is langsgekomen – analyses van stijl, thematiek, verteltechniek en personages waar ik verder weinig tegenin te brengen heb – houd ik het wat korter en beperk ik me tot het plezier van het lezen dat ik zelf wel degelijk beleefde bij deze bundel.

Daarvoor haak ik even in op waar jij je aan stoorde, Laurens, namelijk die grote drama’s in de verhalen. Zelfmoord, verdwijningen en buitenechtelijke kinderen in Frankrijk, het zit er allemaal in. Van zo veel problematische toestanden kun je inderdaad nogal moe worden. Maar ik ging niet ten onder aan die hoeveelheid dramatiek en dat kwam doordat Van der Horst ze doorspekte met lichtvoetige, ja zelfs geestige terzijdes.

Het zijn vaak de kleine observaties of gebeurtenissen die het hem doen. Bijvoorbeeld van een vijftienjarig meisje dat in het donker met guur weer naar huis fietst: ‘Ik besloot de belachelijke muts die mijn oma had gebreid toch maar op te doen. De kwastjes zag ik op en neer springen in de ruiten van de passerende auto’s.’ Of wanneer een jonge vrouw een cassettebandje terugvindt met een ‘radioprogramma’ dat zij vroeger met haar beste vriendin maakte; de beste vriendin die nu uit haar leven verdwenen is:

‘Jantien interviewde en Nina speelde een wereldberoemde actrice.
– Bent u getrouwd?
– Meid, darling, ik ben zo vaak getrouwd dat ik geen idee heb of ik dat nu ook ben. Ik houd het niet bij. Misschien heet hij Jack of Wiebe of Hendrik.
Jantien hoorde zichzelf giechelen.
– Heeft u kinderen?
– Vijf dochters. Ik wil geen jongens, daar heb je niets aan. Jongens zijn voor even, meisjes voor het leven!’

Dit soort geinige flauwiteiten zorgt ervoor dat de verhalen niet al te zwaar worden. Die relativering vind ik wel prettig, dan hoef je alles niet zo ernstig op te vatten. Het zal daar ook mee te maken hebben dat jouw kritiekpunt, Lotte, dat de personages zo passief zijn, mij helemaal niet als een tekortkoming toescheen. Gelaten ondergaan ze de narigheid, laconiek reageren ze op de situaties waar ze in belanden. De dramatiek zit er wel ergens, maar krijgt niet de kans tot uitbarsting te komen.

Ik ben het met je eens, Bert, dat sommige observaties waarschijnlijk geestig bedoeld maar wat al te gekunsteld zijn. De beschrijvingen die jij citeert zijn inderdaad nogal vergezocht. Maar op andere momenten schiet Van der Horst wèl raak en weet ze haar verhalen een fijne dosis nonchalance mee te geven. Zo houdt ze de dramatiek dragelijk en haar verhalen luchtig, zonder ze oppervlakkig te maken. Ik weet hoe jongens huilen balanceert tussen zwaarte en lichtheid waarmee het mij niet alleen heeft overtuigd maar ook een verkwikkende leeservaring heeft bezorgd.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.