Een Portugees gehucht onder de loep
door Mieke van Zonneveld, 14 oktober 2009
Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury
In Vila Pouca schetst Gerrit Komrij het armoedige bestaan van de bijgelovige en roddelzuchtige inwoners van een klein Portugees dorpje. Als je eroverheen vliegt, stelt Komrij, zijn alle dorpen hetzelfde en verandert er niets, maar ‘kom voorzichtig dichterbij en je beseft dat er van alles verandert. Blijf iets langer en je begint te ontdekken dat jouw matrone, jouw gek en jouw priester, de vaste ingrediënten van elk dorp, helemaal niet lijken op de matrone, de gek en de priester van al die dorpen verderop.’
Komrij nodigt ons uit met hem mee te kijken naar Vila Pouca, waar hij sinds 1988 woont. Dit levert een fraai staaltje literaire non-fictie op. In de vorm van 26 korte anekdotes, die al eerder gepubliceerd werden in NRC Handelsblad, gunt hij ons een blik op dorpsperikelen die voor toeristen meestal verborgen blijven. We zijn er getuige van dat een verliefde negentigjarige zijn tachtigjarige concurrent het ziekenhuis in werkt, we maken kennis met een imbeciel die alle dorpelingen ergert, we krijgen zicht op de rol die familierelaties en status spelen in gemeentelijke beslissingen en vernemen dat een man per ongeluk zijn zus zwanger heeft gemaakt. Ook passeren talloze zielige hondjes en kleine, oude vrouwtjes de revue. In ieder hoofdstukje neemt Komrij een aspect van het dorp – soms een dorpeling – onder de loep. Zijn beschrijvingen zijn steeds nauwkeurig, met hier en daar verrassende vergelijkingen. Hij schetst bijvoorbeeld uitgebreid de vergeefse zoektocht van een hondje naar zijn baas en schrijft dan ineens: ‘Zo ongeveer ging het met het politieonderzoek in Niemandsdorp’.
Dergelijke plotselinge overgangen zijn kenmerkend voor Komrijs stijl en hebben ook in Vila Pouca meestal een behoorlijk komisch effect. Grappig is bijvoorbeeld het fragment waarin Komrij gearresteerd wordt en ‘zonder opgaaf van redenen’ geboeid naar de rechtbank in Lissabon wordt vervoerd. Hij heeft geen idee wat hem overkomt totdat ‘eindelijk werd vastgesteld dat ik getuige nummer 16 was.’ De handboeien mogen af.
Over de afkomst van een der dorpelingen schrijft hij: ‘Zijn vader was een mandenmaker en zijn moeder één meter vijftig.’
Een motief dat in verschillende hoofdstukken terugkomt, is het totale gebrek aan amusement in Vila Pouca. Komrij waarschuwt ons al op de eerste bladzijde: ‘Er is weinig romantisch aan mijn niemandsdorp, of het moest de romantiek zijn van de complete afwezigheid van romantiek.’ Mochten we er romantische illusies op na houden, zoals de Japanse toerist die Komrij ergens tegen het lijf loopt, dan worden die in deze doodeerlijke dorpskroniek genadeloos tenietgedaan. Er is geen vermaak. Er zijn ook geen bezienswaardigheden. ‘Nu ja – sinds kort beschikken we over een tegeltableau waarop alle bezienswaardigheden van het dorp staan afgebeeld. Maar het tegeltableau zelf is wel de grootste bezienswaardigheid’.
Een dorpsimpressie zou eenvoudig kunnen vervallen tot een droge reeks gebeurtenissen, maar Komrij schrijft met zoveel tedere ironie over de talrijke zwerfhondjes en gekrompen oude vrouwtjes dat ik steeds benieuwd bleef naar de perikelen van dit dorpje in het bijzonder. Dat is vermoedelijk ook Komrijs bedoeling. Wel laten komische beschrijvingen in veel hoofdstukken weinig ruimte voor diepgang, de personages blijven typetjes. Komrij blijft een buitenstaander in Vila Pouca. Hij observeert en ironiseert de dorpsmentaliteit van een kritische afstand. Hij woont weliswaar op dorpsgrond en is dus strikt genomen een dorpeling, maar Vila Pouca is duidelijk een impressie ‘van bovenaf’. En sommige dorpelingen zijn ook voor de oorspronkelijke bewoners een vraagteken: ‘Gek dat er in zo’n gat, zo’n petieterig gehucht, waar iedereen bij elkaar op schoot lijkt te zitten, nog zoveel figuren rondlopen die schimmig blijven. Niemand weet het fijne van ze.’
Hoe verder je komt in Vila Pouca, hoe meer je stuit op cynische passages. De dood is vanaf het begin aanwezig, maar speelt een steeds prominentere rol. Als Komrij een dorpeling in het ziekenhuis bezoekt, lezen we: ‘Hier wordt hevig gestorven.’ En even verderop: ‘De mensen worden ouder en de mensen gaan dood, ik leg het voor de zekerheid nog maar eens uit. Ook dat fenomeen zorgt voor veranderingen.’ En niet alleen de andere mensen, ook Komrij zelf is zich voortdurend bewust van het onafwendbare einde. ‘Ik ben gewend aan het land. Ik zal er nog meer aan moeten wennen. Dat zal vast lukken, eenmaal onder de grond.’
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



