Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Een roman van schaamte en eenzaamheid

door Mieke van Zonneveld, 2 november 2009

Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury

Nergens kun je beter anoniem zijn dan in een grote stad. Om niet gezien te worden in gezelschap, volstaat het zo gewoon mogelijk te doen. Maar hoe je te verbergen voor jezelf? Hoe maak je jezelf wijs dat je iemand anders bent? Dit is het probleem waarmee Herman Eichler in Graz te kampen heeft.

De Vlaming Bart Moeyaert (1964) debuteerde al op zijn negentiende met het kinderboek Duet met valse noten. Sindsdien schreef hij ook romans voor volwassenen en gedichten. In al deze genres won hij prijzen. Moeyaert gebruikt eenvoudige woorden, maar de wereld die hij daarmee opent voor zijn lezer is allerminst eenvoudig. Dat geldt ook voor Graz.

De achtentwintigjarige Eichler, die in Graz woont, heeft de apotheek van zijn vader overgenomen en hij verstaat zijn vak als geen ander. De mensen komen bij hem met allerhande kwaaltjes en hij stelt ze gerust met zijn geoefende glimlach en zijn vakkundige advies. De mensen vinden hem ‘beminnelijk’ en ‘galant’, maar niemand weet dat hun raadgever met zichzelf geen raad weet en kapotgaat aan iets waarvoor geen zalfje bestaat.

Achter andere ramen in de stad gaan mensen samen naar bed, maar Eichler slaapt sinds het overlijden van zijn moeder alleen. Zijn slaapkamerscčnes druipen van eenzaamheid : ‘Ik trok het laken en de deken over me heen en kon het niet over mijn hart verkrijgen om de lege plek naast me onbedekt te laten. Ik legde het laken en de deken tot over het lege kussen en zei: “Goeienacht.”’ De ijver waarmee Eichler zichzelf probeert te sussen, roept erbarmen op. Hij omhelst zichzelf, hij gaat ’s avonds wandelen met ‘dat eigenste gangetje van mij dat langzamer is dan stappen, precies de goede snelheid om veel te zien maar weinig in me op te nemen, zodat mijn hart al kon gaan slapen voor ik in mijn bed lag.’ Hij probeert een lied te zingen, ‘het lied dat meeging op de maat van mijn trage avondwandelingen, maar ik neuriede vals.’ Hij voelt zich, kortom, reddeloos verloren.

De voornaamste oorzaak van zijn eenzaamheid komt voorzichtig aan het licht vanaf het moment dat er een meisje voor zijn deur verongelukt en de boodschappen van haar stuur allemaal op de grond uitgestrooid liggen. Als hij haar portemonnee vindt, ontdekt hij dat ze Jochen Jonathan Erhart heet. ‘Er zijn jongens die rozen en Krapfen en sinaasappels kopen, en eruitzien als buitengewoon mooie meisjes,’ constateert Eichler. Toen hij nog dacht dat Jochen een meisje was, vond hij hem aantrekkelijk, nu eigenlijk nog steeds.

Enerzijds dringt zijn eenzaamheid hem toe te geven aan zijn verlangen naar een man, anderzijds wordt hij geremd door schaamte en angst voor pijn. Tekenend voor deze innerlijke verdeeldheid is de passage, waarin zijn verlangen als een fata morgana overal voor hem opduikt:

‘Nu ik even had gekeken bedroog mijn verbeelding me. Een simpele tak was een man, een schaduw was een man, de weerspiegeling van een straatlantaarn in de motorkap van een geparkeerde auto was een man. De wind zorgde voor veel onrust. “Arme zoekende ziel,” zei ik tegen mezelf, en ik duwde mijn handen in mijn zakken en stak mijn hoofd diep weg in mijn kraag. “Goede ziel, brave ziel,” zei ik, en ik vergewiste me ervan of er geen auto’s aankwamen en stak de straat over.’

Eichler is een personage dat veel medelijden oproept. Dat heeft deels te maken met zijn situatie, maar meer nog met de manier waarop Moeyaert die situatie beschrijft. Eichlers schaamtegevoel wordt gevisualiseerd door zijn voortdurende drang zich kleiner te maken en zich te verstoppen in zijn kleren. (‘Ik zocht dekking tussen mijn schouders en klemde mijn kraag dicht’). En zijn relatie met zijn vader, die niet zozeer slecht is als wel non-existent, wordt door Eichler treffend omschreven: ‘Plotseling keek hij me recht aan, draaide zijn beide handen om en liet zien hoe leeg ze waren.(…) Ik dacht te zien dat hij ze prettig leeg vond, maar dat was mijn interpretatie.’

Eichler is een apotheker, geen dichter. Maar Moeyaert is dat duidelijk wel. Behalve aan de sprekende beelden en prachtige taalvondsten is dat te merken aan de manier waarop hij soms met zijn beschrijvingen aan het onuitsprekelijke raakt . Zoals in deze passage over verschillende soorten stiltes: ‘De stilte die er hing was niet te vergelijken met een stilte die we kennen. Het was niet die van onder water. Het was niet de stilte die gonst als we onze oren dichtstoppen. Het was alsof mijn stem ineens een paar octaven zakte, alhoewel ik niks zei. Dat soort stilte was het.’ Het is de fijngevoeligheid van Moeyaerts taal die het leed van zijn personage invoelbaar maakt. Zijn woordkeus is vaak ronduit schitterend. Eichlers hart slaat bijvoorbeeld geen slagen over, maar ‘struikelt in zijn borst’. Struikelen. Er is, denk ik, geen woord dat Eichlers eenzame en onbeholpen bestaan beter samenvat.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.