Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Een 'gele halo' en een leegstaande dolfijn

door Simone van Saarloos, 23 januari 2012

‘Zolang iets niet gezien wordt, bestaat het tenslotte niet.’ Op dat geloof lijkt het debuut van Merijn de Boer geënt. Maar Nestvlieders, bestaande uit vier verhalen, lijkt deze wijsheid evengoed te ontkrachten. Want nestvlieders kunnen nog zo hard proberen om hun thuis en verleden te ontvluchten – ze dragen het toch met zich mee.

Prince, het personage in ‘Luchtkasteel’, leeft, zoals de titel doet vermoeden, vooral in een waanwereld nadat zijn succes als kampioen speerwerpen en kogelstoten weggesijpeld is. In zijn nieuwe woonplaats Parijs kan hij niet aarden zonder dat zijn beste vriendin zijn nieuwe leven komt aanschouwen – ook al doet dat leven onder voor zijn patserige bestaan in Amsterdam.

Balthasar Tak leren we in het gelijknamige verhaal juist kennen wanneer hij zijn stinkende, met stof en beesten bedekte nest verlaat. Waar dat is wordt niet bekend. Waar hij heen gaat ook niet, maar het betreft een hotel ver weg en ze kampen er met sprinkhanenplagen. Langzamerhand vergroeit Balthasar met zijn nieuwe omgeving. Wanneer hij de planten water geeft, hebben de voorbij kuierende hotelgasten geen weet van zijn bestaan – ze zien hem simpelweg niet meer, zo smoezelig als hij geworden is. Balthasars talent voor onzichtbaarheid ontwikkelt zich steeds meer. De vraag is echter of opvallen werkelijk beter zou zijn. Wanneer hij wordt opgemerkt door An, het meisje dat zich voor een nacht wel over de ‘gele halo’ om zijn geslacht en de schurft op zijn magere lijf kon heen zetten, maar nu haar afkeer niet verbergen kan, blijkt zichtbaarheid erger dan eenzaamheid.

Het allermooiste verhaal is wat mij betreft het allereerste verhaal: ‘Overal leegte’. Ook hier wordt het belang van zien en gezien worden aangestipt. De ik-figuur realiseert zich ‘dat je iemand pas kunt leren kennen’ wanneer je diegene ongemerkt bespieden kunt. Toenadering is blijkbaar alleen maar mogelijk op afstand. Dat zijn natuurlijk de nestvlieders die, eenmaal uit huis, steeds beter leren zien: ‘Als iets té vanzelfsprekend is geworden, dan wordt het op een dag over het hoofd gezien.’

De Boer schetst een troosteloos beeld van een leegstaande Dolfijn – het gebouw waar de ik-verteller in woont. Onwillekeurig moet ik aan Rotterdam denken, maar of die locatie bij deze eenzaamheid hoort, is niet duidelijk. De Boer heeft zijn personages in ‘Overal leegte’ kaal gehouden. Vrij van context of een uitgespelde persoonlijke geschiedenis, manoeuvreren zij met lichte en toch enigszins onheilspellende tred in een verhaal ‘over leegte’.

Hij heeft maar negen buren, van wie hij er twee leert kennen. Zijn brave buurman, fiscalist van beroep, blijkt zich ‘s nachts te verkleden als clown. In zijn uitdossing huppelt hij rond, almaar zingend ‘Schipper mag ik over varen ja of nee’, verwijzend naar zijn ware droom die uiteindelijk op wrange wijze in vervulling gaat.

De Boer schrijft met geduld. Geduld voor zijn personages, die niet altijd even gemakkelijk te grijpen zijn. Geduld voor de omgeving van de karakters, die uit een reeks van details lijkt te bestaan. De Boer dwingt ook de lezer tot geduld. Daardoor wordt dat wat ongezien was belicht. En hoewel zijn personages daarmee niet zijn gered, pleit deze bundel voor een schone mogelijkheid: een eigenwijs soort kijken, een voortdurende verwondering. Ook wanneer er vooral leegte is:

‘Ik telde de lichten aan de overkant: drie mensen waren thuis. Hun appartementen leken op de enige overgebleven tanden in een verder hol gebit.’

Alleen in het laatste verhaal, ‘Kraaien in de schoorsteen’, wordt mijn geduld op de proef gesteld. De sluimerende spanning rondom een dode kat doet wel erg zwaar aan. Totdat de laatste zin van het verhaal je na vijftien pagina’s verrast en deze sfeerschets verlost van een geveinsd soort zwaarte door alles erger te maken dan het al was.

Verveling, leegte, waan, en eenzaamheid. De Boers verhalen zijn eruit opgebouwd, maar op een luchtige wijze. Zijn taal is sec, zijn zinnen zonder opsmuk. Daardoor vergeef je De Boer dat hij je zelfs het geloof in opmerkzaamheid ontneemt, want wanneer Balthasar Tak zijn gebroken zonnebril in zijn tas vindt, vraag je je af of een leven in het duister niet toch beter is:

‘Vóór deze ontdekking stak het zonlicht nog niet in zijn ogen. In ieder geval had hij er geen last van. Maar vanaf nu slaat hij geen moment over om zich te verwijten dat hij zijn bril heeft kapotgemaakt.’

Wanneer je het bestaan van iets pas net hebt ontdekt, dan is het des te erger wanneer het plots weer weg is. Nu De Boer is opgemerkt moet hij blijven schrijven.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.