Peter Drehmanns
De schrijver en zijn meisjes
(2011)
Querido
240 pagina's
€ 19,95
ISBN 9789021441665
Steun Recensieweb en koop dit boek bij Athenaeum (24-uurslevering)
oordeel
elders op recensieweb
Stijloefening in vakantiethriller
recensie van Blackpool
Redacteur-schrijver durft niet te schrappen
recensie van Altijd maar begraven
Veerman mag ik over varen ja of nee
recensie van De begeleider
andere recensies
Anti-biografie
door Roos van Rijswijk, 9 februari 2012
Er was eens een schrijver die luisterde naar de naam Peter Drehmanns. Drehmanns schreef een boek getiteld De schrijver en zijn meisjes, over schrijver Mark Gerstenberg. Gerstenberg hekelt de autobiografische boekentrend maar besluit er op in te haken, want hij heeft een akelig writersblock met daarbovenop iets wat op een midlifecrisis lijkt. Ook schreef deze fictieve schrijver eerder een boek dat dezelfde titel (Altijd maar begraven) draagt als een vorig boek van Drehmanns. Zo lijkt er een (autobiografisch) cirkeltje rond, ware het niet dat Gerstenberg lijdt aan een inferieur moreel besef dat hoogstwaarschijnlijk geen correspondentie vertoont met de waarden van Drehmanns.
Er tekent zich inderdaad een autobiografische trend af binnen de literatuur. Vooral overleden (A.F.Th. Van der Heijdens Tonio), demente (Tom Lanoyes Sprakeloos, Erwin Mortiers Godenslaap) of vervelende (Nico Dijkshoorns Nooit ziek geweest) familieleden lijken een onuitputtelijke bron van literaire uitingen. Van formaat vaak, daar niet van, maar ik kan me voorstellen dat er bij sommigen een soort ‘waargebeurdheidsmoeheid’ optreedt. Zo ook bij Drehmanns, of eigenlijk – laten we ze, hoewel verleidelijk, niet met elkaar verwarren – Gerstenberg. Dat uit zich regelmatig in zijn cynische innerlijke monologen:
‘Ten bate van je naamsbekendheid moet je zorgen voor een gedegen follow-up van die wrange road novel door met een verminkte smoel op tv te verschijnen omdat je het allemaal echt en hoogstpersoonlijk hebt meegemaakt, inclusief die nier die ze in Moldavië uit je lijf hebben geroofd en dat delirium dat je in Oekraïne hebt opgelopen na een wodka-orgie met de antisemitische clochards van Berditsjev. Belachelijk, mompelde hij.’
De schrijver en zijn meisjes opent dan ook als het tegenovergestelde van een autobiografische roman: een van sarcasme doordrenkt sprookje over het stadje H., ook wel de ‘meest dode plek van Nederland’, waar men geen moorden pleegt maar erover leest in kneuterige leesclubs (ook geen onbekend literair motief, denk aan Renate Dorresteins De Leesclub).
De geblokkeerde schrijver Gerstenberg wordt door een bewoonster van dat stadje uitgenodigd voor een lezing over Altijd maar begraven. Niks voor hem, zo’n mutsenclub, ware het niet dat de schrijver in de dames een handvat ziet zijn eigen waargebeurde verhaal te scheppen. Van zijn dagelijks leven moet hij het namelijk niet hebben; daarin neemt hij de kwalen van de hoofdpersoon uit zijn laatste boek over (‘koude knieën’) of staart hij naar leeg papier terwijl hij zich ergert aan het gepiep van een manoeuvrerende vrachtwagen buiten. Gerstenberg besluit dus de dames op een bezoek te trakteren en bovendien een wedstrijd uit te schrijven. Wie het beste vervolghoofdstuk op Altijd maar begraven schrijft, of eigenlijk, wie het best geschikt lijkt voor zijn zieke plan, wint een dagje uit met de auteur, om daarmee (zo hoopt hij) te verworden tot een personage in zijn op Echte Feiten gebaseerde verhaal.
De schrijver en zijn meisjes biedt niet alleen ruimte aan het verhaal over Gerstenberg. Ook alle leesclubleden komen aan het woord. De zes dames mailen elkaar, contempleren over de auteur (ze willen hem stiekem allemaal) en schrijven het vervolghoofdstuk. Allemaal op hun eigen manier, allemaal als ontzettende karikatuur van de vrouwen die je wellicht op een huishoudbeurs tegen zou kunnen komen; Paula is labiel en heeft een burn-out, Annemarie heeft veel internetdates, Lianne denkt alleen aan haar paard, enzovoorts. Heel toevallig stelt Gerstenberg zich de dames op voorhand ook al voor als ‘uitgelebberde vrouwen die Gezond slank met dr. Frank op hun nachtkastje hadden liggen.’ Het geschrijf van de leesclub en de belevenissen van de schrijver en de uiteindelijke winnares van de wedstrijd worden afgewisseld met de gedachtestroom van Gestenberg (over onder meer de NS, vrouwen, Joran van der Sloot, achterflapfoto’s, zelfmoordtoerisme in Zwitserland). Dit levert een kakofonische, maar met dank aan het columneske schrijven van Drehmanns, vaak ook pijnlijk grappige roman op. Ik heb grijnzend passages gelezen als:
‘Het was immers duidelijk dat H. ooit, hooguit veertig jaar geleden, op een stormachtige avond waarbij de stroom geregeld uitviel, door een groepje beschonken planologen in elkaar geknutseld was, met als gevolg dat een argeloze bezoeker en onherroepelijk in verdwaalde.’
of:
‘“Heb jij eigenlijk problemen met je dikke darm? Als ik jouw boek lees, dan denk ik: die schrijver heeft een spastische dikke darm.”’
Dit neemt echter niet weg dat De schrijver en zijn meisjes na een tijdje lezen aan gaat doen als een mop, verteld door iemand die keer op keer de clue verraadt voor zijn grap ten einde is. Drehmanns blijft zichzelf herhalen; iets wat wellicht duidelijk moet maken hoe ingenomen Mark Gerstenberg is met zijn vreselijke plan. Maar een vermoeiend personage neerzetten is iets anders dan de lezer vermoeid maken door haar steeds hetzelfde voor te schotelen. Ja, er zal iets verschrikkelijks gebeuren en ach, wat zou de ontknoping van deze roman zijn? Doorlezen zou na de helft van het boek niet bijna meer nodig zijn, ware het niet dat Drehmanns met zijn stijl blijft boeien. Of is het Gerstenberg?
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



