Dit is geen recensie. Tsjip. De Leeuwentemmer anno 2010
door Daan Stoffelsen, 17 augustus 2010
Hoe zou Willem Elsschots Tsjip. De leeuwentemmer anno 2010 besproken worden? Ongetwijfeld zouden alle gedrukte media gelijktijdig, liefst in hetzelfde weekend, paginagrote recensies plaatsen, die in zouden gaan op het oeuvre (Kaas was nog maar net verschenen) en, met een beetje geluk, de etniciteit (‘De Belgen zijn beter’) van de auteur. Een enkeling zou wat minder positief zijn, niemand van de heren en dames critici zou op elkaars analyses en oordelen reageren. Ongetwijfeld zou de dubbelroman over de familiegeschiedenis ook online besproken worden, op alle sites, verspreid over de tijd. De jongens en meisjes webrecensenten zouden hooguit wat minder over Elsschots oeuvre schrijven, en misschien wat meer over de mate waarin men zich met Laarmans identificeerde. Een enkeling zou rebels zijn, niemand zou in discussie gaan.
Deze duizendste ‘recensie’ wil oproepen tot meer samenwerking tussen die sites, meer experiment en discussie en meer gebruik van de mogelijkheden van internet.
N.B. Er zijn reacties van Chrétien Breukers, Fabian Stolk en Miriam Rasch.
Vijf jaar lang volledig en degelijk
In de loop der jaren heeft Recensieweb zijn critici gehad, en een van de terugkerende kritiekpunten is het weinig vernieuwende karakter van de vorm van onze besprekingen. Ons is zelfs verweten te doen alsof we avant-garde zijn (met ‘nieuwe literatuur, nieuwe gidsen’) en niettemin niet allemaal piepjong te zijn. Daarvoor is zowel een positieve als een negatieve reden aan te wijzen. De positieve is dat we denken goed te zijn in deze traditionele besprekingen, met een kop en een staart, aandacht voor boek én taal en met een sluitende argumentatie, en dat we denken dat literaire kritiek in de basis zo hoort te zijn: geïnformeerde, informerende, argumenterende en beargumenteerde recensies.
De negatieve reden is niet vanuit eigen kracht geformuleerd. We wilden laten zien ‘dat wij het ook kunnen’, dat wij niet minder zijn dan de grote mensen die in kranten schrijven. Het is dezelfde reden waarom we ook de boeken bespreken die iedereen bespreekt: een lezer/bezoeker moet kunnen vergelijken om te beoordelen of hij wat aan ons heeft. Ik geloof dat hij ook daadwerkelijk wat aan ons heeft, niet alleen omdat we ook andere boeken dan de usual suspects bespreken, maar ook omdat nog steeds heel veel gedrukte media hun recensies niet online publiceren. De toegankelijkheid van sites als Recensieweb is een voordeel dat niet over het hoofd is te zien.
Maar na 999 recensies en vijf jaar lezen en schrijven mag je toch wel ervan uitgaan dat er genoeg vergelijkingsmateriaal is. Misschien moet het daarom anders.
Tsjip verscheen in 1933, en werd kort na Kaas geschreven, De leeuwentemmer in 1939. Anders dan in bijvoorbeeld datzelfde Kaas keert Elsschots blik naar binnen: de gang van zaken in de hoogst persoonlijke ‘firma’ van Laarmans, zijn gezin, waar sinds enige tijd een vreemde jongeman komt, Bennek, een Pool die studeert met zijn dochter Adele. Hun liefdesgeschiedenis, de geboorte van hun zoon Jan, en de ontmoeting tussen Laarmans en zijn kleinzoon vormt Tsjip; de scheiding tussen Adele en de Pool, vanaf dat moment ‘de Eenzame’, diens kidnap van zijn kind, en de redding door Adele, staan centraal in De leeuwentemmer. Het zijn intieme, geestige en af en toe uiterst spannende boeken, waarin de hoofdrol die Laarmans zich ooit toekende al snel door zijn kleinzoon en dochter wordt ingenomen.
Herkenning boven stijl?
Een van de observaties die Tom de Boer deed tijdens zijn scriptie (verwerkt tot dit artikel in De Groene Amsterdammer), was dat recensenten op Recensieweb veel meer dan die in NRC Handelsblad ‘persoonlijk’ recenseren: ‘De recensenten van Recensieweb nemen in hun besprekingen minder afstand van het boek, laten zich meer leiden door het gevoel dat het werk bij hen heeft opgeroepen.’ Ik herken dat, al is het verre van universeel, en misschien heeft het met generatieverschillen te maken (al citeert De Boer juist een van onze rijpere recensenten), misschien met de veel persoonlijker aard van uitingen op internet.
De NRC-critici zouden afstandelijker recenseren, met minder nadruk op emotie, en meer op stijl. Uit eigen ervaring – ik heb nu voor beide media geschreven – kan ik een derde verklaring opperen voor dat verschil. In mijn bijdragen voor de krant ben ik me zo bewust van de beperkte ruimte om een boek te introduceren dat wellicht nergens anders besproken zal worden, dat ik me concentreer op formele kenmerken als thematiek, plot en stijl. In mijn stukken op deze site weet ik mij een van velen die hetzelfde boek bespreken. Als ik probeer te onderzoeken, in een stuk over Jaap Scholtens De wet van Spengler, in hoeverre een tekst sentiment opwekt of sentimenteel is, dan kan ik daarop ingaan, omdat elders vast en zeker een meer analytisch georiënteerd relaas zal staan. Als ik de vrijheid neem om Ilja Leonard Pfeijffers Het ware leven. Een roman eens op een andere, meliger manier te bespreken, dan mag ik vermoeden ik dat het boek elders wel op traditionele wijze zal worden bekritiseerd.
Daar komt bij, en dan laat ik de oude koeien hierna met rust, dat het beschrijven en beoordelen van stijl mijns inziens minder noodzakelijk is naarmate je meer kunt citeren.
Dit ter verklaring. Kunnen we wat als zwakte gekenmerkt werd, als kracht inzetten? Dat denk ik wel. Buiten de traditioneel-journalistieke verwachtingspatronen van de kranten kunnen persoonlijke lezingen bloeien. Daar is niets mis mee, zo lang die lezing tot nader onderzoek aanzet. En zonder de strakke woordaantallen van gedrukte media is ruim citeren mogelijk en wenselijk: het maakt de lezer van de recensie al meer tot lezer van het boek. Maar zonder duiding en verklaring – waarom dit fragment, wat maakt deze stijl, dit moment in het verhaal zo bijzonder – is een citaat nutteloos. Invoelen mag, citeren graag, maar nooit zonder analyse.
Ik heb Tsjip. De leeuwentemmer voor het eerst gelezen tijdens mijn middelbare schooltijd, als bulkboek. Mijn herinneringen eraan zijn levendig: de uitgesponnen, emotionele scène waarin Laarmans zijn kleinzoon eindelijk in de armen neemt, en het avontuur waarin diezelfde Laarmans de Leeuwentemmer terugrooft van de Pool, bepalen mijn indruk van de dubbelroman. Die herinneringen waren ook onjuist. In werkelijkheid was het Adele zelf die een einde maakt aan de gijzeling van haar zoon door hem terug naar België te ontvoeren, en in werkelijkheid was de scène tussen Laarmans en Jan slechts een paar alinea’s aan het slot van de geschiedenis:
‘Zoo staan wij dan tegenover elkander. Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter. Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm te zitten.
- “Neem een doek,” zegt mijn vrouw, maar wij zijn reeds op weg.
Wij wandelen den tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak. Op Walter’s veld wordt hij door onze musschen begroet. Ik blijf staan en zeg “Tsjip”. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach.
Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Je komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdoopen, vind ik.
Ik ga met hem rond en toon hem al dat moois: de zonnebloemen, de boomen, de erwten en de aalbessen. Zelfs de aardappelen worden niet vergeten. Zijn linker handje ligt in mijn hals en met het andere pakt hij naar het groen, naar de bloemen en naar mijn neus.
Als hij hem eindelijk beet heeft is ons verbond gesloten. Tsjip en ik zijn gezworen kameraden. Samen zullen wij door dik en dun gaan, ik voorop.’Ontroerend, vind ik, maar waarom? De ontmoeting tussen een grootvader en zijn eerste kleinzoon nodigt uit tot emotie, dat is al één. En twee, Elsschot verfraait noch vergroot, hij beschrijft de handeling sec. Daar komt dan de prachtige vondst van de naamgeving, de ironische lading van de hoofdrolwissel (Laarmans had al nooit de hoofdrol, vakkundig weggespeeld als hij werd door echtgenote en dochter) en de aardse en toch weinig reguliere omgeving, voor een troonoverdracht althans, van de moestuin. Dat mengsel van een net -niet gewone situatie, subtiele ironie en een precies, sober taalgebruik, dat maakt Elsschot zo sterk.
Dat is misschien nog zichtbaarder in de brieven aan zoon Walter waarin Laarmans vertelt over Adeles reddingsactie. Laarmans had geen enkele rol in de ontvoering, en ook dit verhaal vertelt Elsschot uiterst economisch. Hij vat een brief van Adele samen over de voorbereidselen, laat de stilte van een hoofdstukscheiding vallen en komt met verlossende woorden.
‘… en dan tusschen negen en tien, of nooit. De kans is klein, zegt zij, en toch hindert haar reeds de gedachte aan de oude vrouw die, als zij slaagt, haren kleinzoon bij hare thuiskomst tevergeefs zal zoeken, die roepen zal zonder antwoord te krijgen, radeloos van angst haren zoon zal opbellen, de heiligen van den wand zal bidden en bovendien de huur van dat rijtuig zal moeten betalen. Zij vindt het beulenwerk, maar paling stroopen vindt zij nog erger en dat heeft zij meer dan eens moeten doen.
De volgende dag was de eerste zonder brief van haar. Wij hebben in spanning van uur tot uur gewacht, doch er kwam niets binnen. Maar even voor middernacht, toen wij nog steeds gedempt over haar praatten, werd er gebeld. En ik stond voor een boodschappertje dat amechtig deed, zijn sjako afnam en mij een telegram in de hand stopte. Fooi gegeven en het ding opengemaakt. Het kwam uit een onbekend gat uit Duitschland en luidde eenvoudig “arriveeren morgen avond negen uur”.’
Wat ik mij beeldend had herinnerd, de ontvoering zelf, wordt niet beschreven. In plaats daarvan vergroot Elsschot de spanning door over iets volkomen anders te schrijven, die arme gijzelnemer-grootmoeder, en paradoxaal genoeg verkleint hij de spanning niet door te grappen over rijtuigen en paling. Ook de terugkomst beschrijft hij uiterst beknopt, waarbij dat boodschappertje het ongeduld van de lezer vergroot en Elsschot korte metten maakt: hij geeft de fooi zonder persoonsvorm en laat het telegram eenvoudig, geweldig, kort.
Een boek staat niet alleen: linken, maar met mate
Persoonlijke lezingen en stijlanalyse hoeven elkaar niet in de weg te zitten, en citeren kan nooit kwaad. (Veel citeren kan wel de argumentatieve functie van een recensie overwoekeren, zie ook Achille van den Brandens zelfkritiek.) Het hoeft ook niet altijd, omdat – en hier geldt hetzelfde als voor andere vrijheden die de webrecensent kan nemen, het elders al gedaan wordt. Voordat Athenaeum Boekhandel voorpublicaties op zijn site bracht, publiceerden uitgeverijen Atlas, Augustus en Veen, en uitgeverij De Arbeiderspers al uitgebreide fragmenten uit romans (bijvoorbeeld de nieuwe roman van Adriaan van Dis, Tikkop of het debuut van Arno Haijtema, De vadermoordenaar).
En in Nederland gebeurt het nog weinig, maar als auteurs hier vaker vooraf gaan voorlezen, zoals de Amerikaanse schrijver Paul Auster deed met zijn dit najaar verschijnende roman Sunset Park, dan is dat het linken waard: het is informatie die toevoegt en niet afleidt van het betoog van de recensent.
Maar Jos Joosten stelt in zijn kritiek op de webkritiek, onlangs in Trouw: ‘… de mogelijkheden van het web zijn oneindig groter dan die van dag- of weekblad. Een recensie kan links krijgen naar vergelijkbaar werk, muziek, films of klassieke teksten die een besproken auteur gebruikt, interviews met de schrijver et cetera’.
Joosten wil een stap verder gaan, hij suggereert dat webrecensies meer recht kunnen doen aan de context van boeken door te linken naar die context. Het wordt ook al wel af en toe gedaan: het linken naar muziek bijvoorbeeld door het onlangs opgerichte Booktunes, waarbij een interview met Christine Otten wordt verbonden aan een soundtrack bij haar boek. Het zou vast ook werken voor Anna Enquist, Contrapunt, en Elmer Schönberger, Vuursteens vleugels.
Er tekenen zich twee vragen af bij Joostens voorstel. Eén: is elk boek hiervoor geschikt? Twee: is de recensie hiervoor geschikt? De twee antwoorden vullen elkaar aan. Het kan zeer verhelderend werken om bij een boek waarin muziek of film of een andere tekst dominant is, in de recensie daarnaar te verwijzen, maar als dat niet zo is, dan zijn hyperlinks al snel storend. En hoe essentieel context vaak ook is voor een boek, een recensie gaat in eerste instantie over het boek zelf, niet over de context. Zoals een boek primair zónder voorkennis gelezen moet kunnen worden, zo moet een recensie ook een zekere mate van autonomie vertonen. Zonder inmenging van andere stemmen, zelfs die van de auteur zelf.Dat geldt zelfs als de context door hem wordt gevormd: ook een interview leidt af van een boek en van de bespreking.
In het dagelijks verkeer voegt Elsschot meer specifieke objecten toe dan de paling, met name in De leeuwentemmer, waar stoomwalsen, treinen en de hand van (Laarmans’) Vader met elkaar strijden, waar het zakmes, de monocle en het liniaal voorname bijrollen spelen. Voornaam, omdat Elsschot ze inzet om niet uitgebreid in te hoeven gaan op Laarmans’ emoties: die stoomwalsen staan immers voor de prachtige verwondering van het kind, het zakmes voor het bondgenootschap, en de monocle en het liniaal staan voor de door Adele verafschuwde ambities van haar Pool en de strenge opvoeding van zijn zoon.
Maar bijrollen hebben ze, subtiel en effectief, in dit spel van grimmige gezinsleden. Het zijn motieven die Elsschot inzet om de sentimentele geschiedenis niet sentimenteel te maken. Dat geldt ook voor Adeles muzikale geestdrift in Tsjip, die volkomen teniet gedaan is, als de verloving met haar Pool niet lijkt door te kunnen gaan:
‘Verleden week had ik twee vrienden op bezoek en toen heb ik aangedrongen tot ik mijn zin kreeg, want zij kan mij niets weigeren. Zij heeft meer dan een uur Schubert gespeeld en ik commandeerde telkens van uit mijn stoel welk lied op het laatst gespeelde volgen moest. Zoo zong zij ons dan, zichzelf begeleidend, Nacht und Träume, An die Musik, Du bist die Ruh, Erster Verlust, Allerseelen, Wiegenlied, Frühlingsglauben, Der Einsame en veel andere liederen voor, tot ik eindelijk Der Jüngling am Bache bestelde. En zij begon “An der Welle sasz ein Knabe”. Een paar deiningen later klonk het treurig “und so fliessen meine Tage” en daarop vielen zang en piano plotseling stil. Na even gewacht te hebben, want met de radio gebeurt dat ook, keerde ik mij om en keek haar aan. Zij zat stijf, als doodgebliksemd, hare armen opengespreid, de rechter hand op de sopraantoetsen, de linker op de bassen, dáár waar zij ‘t laatste akkoord had aangeslagen. Eindelijk hoorde ik een geluid als van een orgelpijp dat haar uit de keel scheen te komen. En plotseling stond zij op en vluchtte het salon uit.’
Een ander voorbeeld is haar, en later Jans bekering tot het katholicisme. Hoe Laarmans Adele introduceert in dat geloof, is werkelijk hilarisch, evenals de vaststelling dat Adeles associatie tussen Maria’s onbevlekte ontvangenis en Leda en de zwaan verontwaardiging opwekte bij de redactieraad van Forum, waar het destijds voorgepubliceerd werd (en waaruit het inmiddels is gedigitaliseerd voor de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren).
Een andere structuur voor kritiek?
Een punt dat critici als De Boer, Joosten en Stevens (die ons amateurisme verweet) niet aansnijden is dat van de structuur van online teksten. Dat zal te maken hebben met een focus op gedrukte media en traditionele journalistiek, maar sinds het ontstaan van internet wordt er betoogd dat mensen niet graag van schermen lezen, en zeker geen lange teksten. Dat betoog heeft vooralsnog geleid tot mijns inziens onleesbare artikelen waarbij elke zin tot alinea wordt gebombardeerd.
Alsof mensen bij iets meer zwart tussen het wit bezwijken aan pessimisme.
Het mag voor zich spreken dat ik – daar ik ook de redactionele verantwoordelijkheid voor Athenaeum.nl draag, waar voorpublicaties tot wel tien boekpagina’s op verschijnen – een andere mening ben toegedaan. (Tekst moet zwemmen, en printen mag altijd, toch?) Recensies zoals die van 1100 tekens (de zogenaamde ‘aanschafinformatie’-teksten van NBD/Biblion, zoals je die ook bij bol.com tegenkomt) of het ter ziele gegane gwrrf.nl, waar honderdvijftig woorden het maximum waren, lijken me boek, lezer en medium te kort te doen.
Overigens is ook dat een mogelijkheid die internet biedt: beknoptheid mag. En al hebben we daar bij Recensieweb om bovenstaande reden niet voor gekozen, de vraag is wel of je niet moet uitkijken met alinea’s van zo’n lengte (ter vergelijking: het citaat waarin Laarmans zijn kleinzoon ontmoet, omvat 188 woorden en, inclusief leestekens en spaties, 1009 tekens).
Een andere vraag is of we niet meer moeten experimenteren met tussenkopjes en zelfs lijstjes – een vorm waar Arjen van Veelen, die momenteel een serie recensies voor Athenaeum.nl schrijft, mij de ogen voor heeft geopend. Die experimenten zouden dan komen bij de ongeschreven regel dat witregels leesbaarder maken en bij de intuïtie dat de eerste alinea essentieel is: de inleidingen zijn maar al te vaak het eerste en enige wat een lezer ziet voor hij doorklikt. Structuur telt.
De revolutie, de brief en de kidnapper
Maar wat doet Elsschot nu, tussen al de motieven door, voorbereidend op die twee kortstondige climaxen? Hij perfectioneert de kunst van het afwachten. Laarmans heeft in Tsjip nimmer de hoofdrol, ik merkte het al op: hij reageert, en meestal nogal lafjes, hij wijst zijn dochters vrijer niet op het fatsoen en hij accepteert het huwelijksaanzoek niet direct. Eerst vrouw en dochter vragen. Er is één belangrijke uitzondering, en dat is als hij een bulderende brief van Benneks vader, die hen te min acht voor een verbintenis met zijn zoon, met een woedende, in het Nederlandse gestelde brief beantwoordt:
‘Hoe mijn dochter er toe gekomen is zich door uwen Weledelen Zeer Geachten Zoon te laten bepraten, begrijp ik niet. Was het nog een Mof of een Rus, maar een Pool.
[...]
Blind van woede vlieg ik de straat op en smijt mijn brief in een bus. Ziezoo. Dat is afgedaan. Hiermede zijn de betrekkingen tusschen Polen en België afgebroken. ‘t Is beter zóó want nu is aan een valschen toestand een einde gemaakt en de Poolsche gezant was tóch al bezig zijn koffers te pakken.’Het zijn passages als deze die aanleiding geven tot een politieke lezing, zoals Matthijs de Ridder dat heeft gedaan in Aan Borms. Willem Elsschot, een politiek schrijver. Dat Elsschot in De leeuwentemmer zijn gezin niet als een firma maar als een rebels schip kwalificeert, versterkt die these natuurlijk wel, maar ja, is een beeld niet soms gewoon een beeld? En als we dan toch over beelden en thema’s beginnen, hier zou ik nog wel eens scripties, proefschriften en themasites over willen zien:
- De brief in Elsschots oeuvre. Is de briefwisseling tussen de beide vaders al onderwerp van grote spanning, en het veel informeler en effectiever briefcontact tussen Adele en Bennek ook, in Tsjip práát men gewoon. In De leeuwentemmer schept de fysieke afstand tussen Adele en haar moederschip enerzijds en Laarmans en oudste zoon Walter anderzijds, de noodzaak tot brieven. Elsschot buit dat uitstekend uit. Waar Laarmans in Tsjip als verteller de dialogen direct becommentarieerde, zijn hier commentaar en directe rede noodzakelijk. Dat zorgt voor snelheid, humor en spanning.
- Gemengde huwelijken en ontvoerde kinderen. ‘Eigentijds’, noemt de NBD-Biblion-recensent het: het huwelijk met de buitenlander, de scheiding en de ontvoering. Inderdaad doemen in de jaren 0 regelmatig verhalen op over in bergdorpjes achtergehouden kinderen uit gemengde huwelijken. Is het wel zo één-op-één actueel? En: hoe bijzonder was dit verhaal ten tijde van publicatie?
- Het gezin Laarmans: uniek in de Nederlandse literatuur? Hier zou ik wel eens een neerlandicus over willen horen, in welke mate dit immer draaiende, goedgehumeurde, chaotische gezin in de Nederlandse literatuur een uitzondering was. Het drama lijkt zich buiten hen af te spelen, hoezeer het hen ook raakt. Hoe standaard is zulke feelgood? En hoe standaard is de positieve beoordeling?
We kunnen het niet alleen: linken (2) en samenwerken
Een ander kritiekpunt van Joosten was dat de online media geen gewicht in de schaal leggen zoals traditionele media dat doen. ‘[W]ekelijks zouden die bijlagen per titel tot wel 100.000 lezers hebben.’ Dat zijn indrukwekkende cijfers, al vind ik 1500 bezoeken per dag (gemiddeld 1.51 minuten en 1,99 pagina’s per bezoek, wekelijks dus zo’n 6500 unieke bezoekers) nog steeds niet weinig, en zou ik die duizenden lezers wel willen vragen hoe lang en hoe veel ze in de boekenbijlage lezen.
Liever dan die antwoorden af te wachten zou ik wel eens willen weten of onze bezoekerscijfers overlappen of optellen bij die van 8weekly, Cutting Edge, derecensie-web.log, De Recensent, Literair Nederland, De Reactor, Fabian Stolk en Achille van den Branden. Ik geloof dat het kritische landschap een stuk meer variëteit en boeiende elementen bevat dan de traditionele media – laat staan één krant of weekblad – kunnen bieden. Er is overlap, bijvoorbeeld tussen de missies van Van den Branden en Dessing en Van Meijgaard van recensie-web.log, die het vergeten boek afstoffen, en tussen culturele magazines als 8weekly en Cutting Edge en, in mindere mate, Literair Nederland en Recensieweb. Maar er zijn ook verschillen, punten waarop de sites elkaar aanvullen. Interviews zul je juist bij de redactioneel gestuurde sites vinden, de academischer getoonzette stukken bij De Reactor.
Zou het werken als we eens afspraken de krachten te bundelen en maandelijks rond één boek, één auteur, één oeuvre zouden samenwerken? Er zouden oudere titels van die auteur bij die site besproken worden, op andere sites zou vanuit verschillende invalshoeken het nieuwe boek besproken worden of de auteur geïnterviewd worden. Recensenten en interviewers zouden zich vrij weten hun eigen plan uit te voeren, in de wetenschap dat elders online de in hun stukken ontbrekende elementen gedekt werden. En op termijn zouden ook de lezersfora, de literaire tijdschriften met online takken en actieve winkelwebsites als die van Athenaeum Boekhandel zouden kunnen aanschuiven. Discussie mag, naschriften met weerwoorden mogen, voorstellen voor nader (academisch) onderzoek zijn welkom.
We zouden naar elkaar linken, elkaars publiek vergroten en bewijzen dat internetkritiek meer is dan een niet terzake doende concurrent van dag- en weekbladen. Laat dit stuk daarmee niet alleen een onderzoek zijn naar de mogelijkheden en onmogelijkheden, maar ook een oproep aan de collega’s. Bij Recensieweb, maar ook bij al die andere sites. Laten we eens beginnen. Binnenkort een kopje koffie?
Na zo veel lovende woorden over deze dubbelroman kan een afsluitende alinea nooit negatief zijn. Ik las de afgelopen tijd twee stukken waarin Tsjip, en vervolgens De leeuwentemmer, als beste werken uit het oeuvre van Elsschot werden genoemd. Ik kan dat moeilijk beoordelen, omdat ik de rest van het werk moet (her)lezen, al zijn er elders stukken die kunnen helpen (recensie-web.log over De ontgoocheling bijvoorbeeld, en het archief van NRC Handelsblad).
Maar ik kan wel nu al ingaan op de argumenten van Els Bertens bij 8weekly en Cyrille Offermans bij De Groene (helaas niet toegankelijk voor niet-abonnees). Bertens prijst het moment waarop er bij Laarmans, ‘die eeuwige bankzitter’, ‘een enthousiast laaiend vuur’ ontvlamt: de ontmoeting met zijn kleinzoon. Ontroerend noemt ze dat. Offermans stelt dat in Tsjip en De leeuwentemmer ‘Elsschots stilistische en compositorische vermogen een hoogtepunt [bereikt]. [...] Hij had, met een vermoedelijk onbewuste variant op Flaubert, een boek “zonder inhoud” willen schrijven, een boek waarin het uitsluitend om de “intensiteit” zou gaan. En daarin, constateer ik, is hij volmaakt geslaagd.’
Hoewel de ontroering, de emotie bij veel lezers, dus ook bij recensenten, een belangrijke kracht is, is de analyse de ruggengraat van de kritiek. Elsschot heeft in deze twee boeken in het inhoudsloze een grote eenheid geschapen met allerhande motieven, voorwerpen en het immer geestige commentaar van de passieve man die zich hoofdrolspeler waant. Tweemaal slaat hij aan het einde toe en bereikt daarmee een nog grotere intensiteit: ontroerend, spannend, knap. En misschien nog wel net iets knapper in De leeuwentemmer. Elsschot is anno 2010 niet dood. Elsschot leeft.
En u?
De laatste, en meest gewantrouwde mogelijkheid van internet is deze: de reactiemogelijkheid. Ik deel die argwaan, want niet zelden reageren dezelfde mensen op dezelfde manier over dezelfde stokpaardjes. Bovendien hebben we bij Recensieweb ook het geld niet om onder elke recensie een reactieveld te zetten (of, wat dat aangaat, voor tagging, een weblog en honoraria voor recensenten). of zelfs de logistieke ondersteuners van deze organisatie). Toch vraag ik u te reageren, op Laarmans en Tsjip. De leeuwentemmer, en op deze oproep tot experiment en discussie. Moeten webrecensenten meer durven de traditionele vormen achter zich te laten?
Klik daartoe op Contact, rechtsonderaan deze pagina. Inhoudelijke reacties plaatsen we hieronder, links naar inhoudelijks reacties elders evenzeer. Onder de binnen nu en een maand binnengekomen reacties verloten we, in samenwerking met Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, een Verzameld werk van Elsschot (in cassette, in de Gouden Reeks), Elsschots Kaas in de verstripping van Dick Matena en Wieneke ‘t Hoens Dicht bij Elsschot, met uniek materiaal uit de gelijknamige tentoonstelling.
De reacties
Immeke Krabbe, 17-09-2010:
Beste Daan en collega’s van Recensieweb,
Allereerst mijn complimenten voor het enthousiasme en het doorzettingsvermogen van de medewerkers van Recensieweb. Iets nieuws beginnen is altijd aantrekkelijk, maar het ook volhouden en ontwikkelen gedurende vijf jaar is een felicitatie waard.
Als oud-boekverkoper en inkoper voor een groep openbare bibliotheken kijk ik weer met een andere blik dan mede-recensenten, maar ik reageer hier vooral als gewone lezer én als Collectionneur/Twitteraar van mijn bibliotheek. Helaas kan ik niet ingaan op het thema Elsschot. Het lezen van Tsjip. De leeuwentemmer is voor mij te lang geleden, maar de recensie heeft me zeker enthousiast gemaakt om het te gaan herlezen. Wel voel ik de behoefte om op de oproep aan het einde van ‘Dit is geen recensie.’ te reageren.
De traditionele media worden in de bibliotheek gratis beschikbaar gemaakt, maar dat is alleen voor leden/gebruikers. De informatie in bibliotheekcatalogi wordt door NBD/Biblion in het kader van het project Olifant verrijkt met links naar de MoM (Meer over Media) database http://mom.biblion.nl/. Grootse plannen voor recensies (dit onderdeel is al ter hand genomen), flapteksten, auteursportretten en in de verre toekomst geluids- en beeldfragmenten. Een mooi streven waarvan ik hoop dat het financieel voldoende ondersteund wordt, maar de uitgebreide mogelijkheden blijven beperkt tot de leden/gebruikers van de bibliotheek. Medewerkers en leden van de bibliotheek zijn tamelijk bevoorrecht in dit opzicht.
Het mooie van Recensieweb en de andere literaire websites is hun grote toegankelijkheid, gepaard aan een goede analytische en persoonlijke bespreking van literatuur. De inhoud is voor zowel de ‘gewone’ lezer (wie dat dan ook moge zijn) als de beroepslezer geschikt. Op Twitter is er gemakkelijk naar te linken en dat doe ik af en toe ook. Toch zouden ze in mijn opinie door samen te werken en naar elkaar te verwijzen een groter publiek kunnen bereiken.
Als voorbeeld van mijn behoefte aan samenwerking geef ik het voorbeeld van De klap van de Grieks-Australische auteur Christos Tsiolkas dat een paar weken geleden gerecenseerd werd in het pak recensies dat NBD/Biblion iedere week naar de bibliotheken stuurt en op basis waarvan de bibliotheken grotendeels hun materialen (behalve boeken ook luisterboeken, cd-roms, daisy-roms, dvd’s en spelcomputerspellen) inkopen. Zo’n recensie is vrij summier en soms heb je echt behoefte aan meer informatie.
Nu kost dat enig zoekwerk voor een gewone lezer die minder vasthoudend is dan de beroepszoeker en ook niet goed weet waar informatie te halen valt. Hoe heerlijk zou het niet zijn alles bij elkaar te kunnen vinden! Naast informatie over de vertaling op website van boekhandel Athenaeum met een link naar een hele positieve recensie uit Trouw vond ik een kritisch artikel uit de London Review of Books waarin het boek eendimensionaal genoemd wordt en een artikel waarin de auteur als reactie op negatieve publiciteit (zie ook nu.nl), uithaalt naar de ‘droge’ en ‘academische’ Europese fictie, waarbij hij zich baseert op de bundel die hij de Best European Short Stories of 2009 noemt (ik neem aan dat de auteur hier de bundel Best European Fiction 2009 bedoelt) in de Guardian en omdat ik het altijd prettig vind een stem bij de tekst te horen: een blog met een filmpje van de schrijver die uit eigen werk voorleest.
Dit is ongeveer waaraan ik denk bij het experiment dat voorgesteld wordt, al voert het te ver om Engelstalige websites te betrekken die ik hier heb gekozen omdat ik ze voor dit boek niet in het Nederlands vond. Voor de lezer, maar ook voor de collectionneur van de bibliotheek, zou het heel plezierig zijn om dergelijke informatie bij elkaar te vinden. Het voorstel tot experiment en samenwerking juich ik dan ook zeer toe. Recensieweb heeft het goede voorbeeld gegeven door de hand uit te steken. Als ik medewerker van één van de andere sites was, zou ik niet alleen positief reageren, maar er ook iets mee doen! Bij deze beloof ik om op Twitter nog meer te linken naar jullie en zo mijn steentje bij te dragen. Ik kijk met spanning uit naar een vervolg.
Vriendelijke groet,
Immeke Krabbe, als Immek en namens wfbibliotheken op Twitter.
Miriam Rasch, van 8WEEKLY, 28-08-2010:
Beste Daan en Recensieweb,
Allereerst van harte gefeliciteerd met vijf jaar Recensieweb, namens mezelf en namens 8WEEKLY.
Ik heb met veel plezier je jubileumrecensie gelezen. Met die recensie geef je al antwoord op de vraag waar je mee afsluit: ‘Moeten webrecensenten meer durven de traditionele vormen achter zich te laten?’ Ja dus! Een vraag die ik ook bevestigend zou beantwoorden. Deze recensie zou in een krant helemaal niet kunnen, inhoudelijk en vormtechnisch niet. Zie daar de toegevoegde waarde, nee meerwaarde, van online kritiek.
Ik vind het ook interessant wat je schrijft over de aard van de recensies op Recensieweb, die meer op herkenning en persoonlijke indrukken berust dan op stijl. Dit is bij 8WEEKLY ook zo. Ik denk dat het voornamelijk te maken heeft met de (relatieve) onervarenheid van de redacteuren (een beetje een negatief argument): je moet nu eenmaal heel veel gelezen hebben om een boek in een traditie te plaatsen etc. Het is ook veel moeilijker om te schrijven over stijl, dan over indrukken.
Aan de andere kant is dit ook simpelweg een uitdrukking van de hedendaagse nadruk op emoties en persoonlijke verhalen. We zijn niet meer geïnteresseerd in ‘objectieve’ maatstaven en traditie, maar willen precies de emotionele en persoonlijke indruk van een recensent horen. Dat zie je ook in de papieren kritiek. (Vooral in Vrij Nederland valt me dit geregeld op.) Ik vind dat persoonlijk helemaal niet erg. Liefst hoor ik namelijk ook van een recensent een antwoord op de vraag ‘wáárom moet ik dit boek lezen’ – hoe zal het mij veranderen?
Goed, beide argumenten – onervarenheid en herkenning – hebben niet per se iets met internet te maken, behalve dat op internet onervaren mensen een kans krijgen ervaring op te doen (een doelstelling van zowel Recensieweb als 8WEEKLY) en nieuwe vormen uit te proberen, moderne vormen die met of misschien wel door internet zo belangrijk zijn geworden.
Dan de toekomst van online kritiek. Je doet een heel concreet voorstel: ‘Zou het werken als we eens afspraken de krachten te bundelen en maandelijks rond één boek, één auteur, één oeuvre zouden samenwerken?’ Ik ben het eens met Fabian Stolk dat het bijna klinkt als een academische werkgroep, maar dat zal niet je bedoeling zijn. Zo’n voorstel is natuurlijk iets om het verder over te hebben, maar ik vind eigenlijk dat ook zonder concrete afspraken al met zulke ideeën begonnen kan worden. Sterker, dat doe je al door bovenstaande recensie.
‘Recensenten en interviewers zouden zich vrij weten hun eigen plan uit te voeren, in de wetenschap dat elders online de in hun stukken ontbrekende elementen gedekt werden.’ Volgens mij is dit allang zo. Over vrijwel alle boeken die ik lees is genoeg te vinden op het internet, ik voel me zeker niet verplicht om op een bepaalde vooropgestelde manier daaraan bij te dragen. De vrijheid is er al – gebruik haar! Dat neemt niet weg dat ik zo’n thematische aanpak, die de diepte opzoekt en verschillende kanten laat zien van een boek/schrijver/oeuvre zou toejuichen. Alleen al door samen op dezelfde tijd ermee bezig te zijn, zal het resultaat beter zijn dan alle losse webartikelen die her en der in de loop der tijd geschreven worden bij elkaar. Idealiter zou dit gebeuren op een professionele, grote website, met betaalde medewerkers (ik heb nu eenmaal geen (vrije) tijd om van een schrijver een heel oeuvre te (her)lezen voor 8WEEKLY), met alle voordelen van internet erbij.
Blijven dromen en hard doorwerken: ik ben ervan overtuigd dat in de toekomst zo’n ideale site tot stand komt en ga zorgen dat ik erbij ben. Kijk naar het internet vijf jaar geleden toen Recensieweb ontstond, over vijf jaar is alles weer helemaal anders.
Hartelijke groeten,
Miriam Rasch chef non-fictie en recensent 8WEEKLY
Daan Stoffelsen, 29-08-2010, 15.30:
Beste Miriam, beste Fabian,Dank voor jullie vriendelijke woorden en jullie kritiek. Het zijn waardevolle aanvullingen en nuances bij mijn stuk. Enkele lemma’s:
Academische werkgroep – zie werkgroep
Betaald. Ooit, ja ooit. We blijven ernaar streven, en misschien valt het in een combinatie van subsidie- (zoals De Reactor) en commerciële fondsen te bereiken. Maar nu maar eerst coördinatie.
Coördinatie – een bureaucratische term voor een vrijblijvend plan: laten we een lijst opstellen met titels waar we wat van verwachten, plannen maken en plannen delen. (Als je het mij nu vraagt: Grunberg, Boogers, Van Dis, Thomése, Bakker, Giphart, Bernlef, Koubaa, Springer, Lieske, Stahlie.) Waar er concrete samenwerking mogelijk is, doen we dat, en verder varen we elk onze eigen koers. En we drinken dat kopje koffie.
Frisheid. Datgene wat in eerste instantie aan Recensieweb geprezen werd, en dat literaire kritiek wel degelijk sterker kan maken: elk boek verdient een frisse blik, toch? Mijn schrikbeeld is dat van de recensent die jaar in jaar uit dezelfde auteurs de hemel inprijst om dezelfde redenen.
Heeft ook een negatieve kant: omissies dreigen (als ik Heldenjaren had gelezen vóór J. Kessels: The Novel, dan had ik Birgit de Braaij al gekend uit een terzijde), thema’s blijven onbenoemd, stijlkenmerken ongezien. Laat de redacties hun recensenten uitdagen met speciale projecten: de nieuwe roman van Jeroen Brouwers, Bittere bloemen, of de laatste van Herman Franke, Traag licht, mag wel uitnodigen tot herlezing en oeuvrelezing (zoals we bij Recensieweb met Dimitri Verhulst in het verleden deden, en met P.F. Thomése), nu eens verspreid over de sites. Vraag de recensent om een ouder werk én deze nieuwe roman te bespreken.
Kranten – zie weekendabonnement
Linken. Als het kan, waarom niet doen? Omdat het te veel tijd kost voor de auteur (en dus actualiteit in de weg staat), te veel afleidt (en dus leesbaarheid vermindert). Maar Fabian, jouw zoektocht bij Begeerte heeft ons aangeraakt had ik met mijn beperkte kennis van klassieke muziek niet kunnen maken. Ik ben blij dat jij me aan de hand hebt genomen en weer een dimensie aan het boek hebt toegevoegd. Dus ik geloof zeker dat het een functie heeft – bij een titel als deze.
Onervarenheid – zie frisheid
Persoonlijk lezen. Aan te raden en toe te juichen. Laten we niet te academisch worden, laat het lezen geen corvee worden. Maar als je gaat schrijven, dan verkies ik de recensie die het sentiment als beginpunt neemt, en niet als doel.
Weekendabonnement. Aan te raden, in combinatie met RSS-feeds van geselecteerde literaire blogs. Overweeg anders de vruchten van mijn betaalde arbeid voor Athenaeum Boekhandel.
Werkgroep, ook wel Academische werkgroep. Het beeld dat ik bij de traditionele krantenkritiek heb, is dat van een gemêleerd gezelschap dat als bij een schietbaan verdeeld staat over afgescheiden hokjes, elk met gehoorbeschermers en elk met een luidspreker. Misschien is er een borrel achteraf, maar daar zal geen lezer wat van merken. Ik hoor graag verschillende stemmen, in afwisselende geluidssterktes en tonen.
Op internet mag je elkaar met de voornaam aanspreken, dank daarvoor Miriam, Fabian, is men vriendelijk (misschien te vriendelijk, touché Chrétien) en zou er ook een kop koffie van te voren gedronken kunnen worden. Hier hóéft literaire kritiek niet een eindeloze verveelvoudiging van meningen te zijn.
Ik denk aan onze schaduwjury’s. Onze ervaring bij schaduwjury’s is wellicht te vergelijken met leesclubs, maar dan zonder de klets en roddel na het plichtmatige bespreken van inhoud en gevoelens daarover: een inhoudelijke discussie die tot uitgesproken, gevarieerde standpunten kan leiden (zie de laatste twee jaar Debutantenprijs). Dat lijkt me ook haalbaar en wenselijk voor de literaire kritiek online.Koffie in Utrecht dus?
Groet,
Daan.
Fabian Stolk, van Klasse! en In den vrolijken hermeneut, 26-08-2010:
Dit is geen reactie
Utrecht, 26 augustus 2010
Beste Daan (en alle andere Recensiewebbers),
Allereerst gefeliciteerd met de verjaardag en het duizendste stuk. Recensieweb is al een stevige meid/knaap geworden.
Je suggestie dat webrecensenten (meer) samen zouden kunnen werken en ook je voorstel om in recensies (meer) links aan te brengen naar bijvoorbeeld relevante context, klinkt aanlokkelijk. Maar: de werkelijke waarde van die mogelijkheden, die het internet meer dan old school literatuurkriek lijkt te bieden, lijkt mij afhankelijk van wat je als recensent met een recensie beoogt, of van wat je denkt dat je lezer ervan verwacht.
Ik zie literatuurkritiek – aanhakend bij je eigen woorden – als de ‘geïnformeerde, informerende, argumenterende en beargumenteerde’, opiniërende, kritische beschouwingen en besprekingen van nieuw verschenen literatuur. Na het lezen van een recensie denk ik dus wel eens: ‘Maar meneer/mevrouw de recensent, ik heb een vermoeden dat je dit nieuwe boek van deze mij wel bekende auteur niet op waarde weet te schatten, en zeker niet zoals ik dat tot nu toe deed met eerder werk; ik ga even bij een collega van je kijken of deze auteur opeens echt zo anders is geworden.’ Of: ‘Allemachtig, zal ik dat boek dus maar eens snel gaan kopen? Eventjes zien wat een andere recensent ervan vindt, maar ik ben al bijna om.’
Dat verwerven van een tweede opinie gaat al heel goed met de op papier gedrukte literatuurkritiek. Ik zal toch niet de enige literatuurliefhebber zijn die naast z’n ‘eigen’ krant in ieder geval op de relevante dagen ook die andere kwaliteitskrant leest (bijvoorbeeld dank zij een weekeindabonnement) en die daarnaast ook minstens op een weekblad en op een literair of cultureel tijdschrift geabonneerd is, en daarnaast de weg weet naar de leeszaal, analoog of digitaal?
Maar een groot voordeel van literatuurkritiek op internet is dat webstek A naast een recensie links kan aanbrengen naar recensies op de stekken B tot en met Z, en dat dan ook in veel ruimere mate dan ik me althans aan papieren abonnementen kan veroorloven. Bijkomend voordeel van internet is dat recensies er beschikbaar blijven en aan te vullen zijn met links naarmate er op andere plekken recensies verschijnen. Recensieweb doet dat; de Reactor doet dat, om er maar twee te noemen. Dat lijkt me een voor internet heel natuurlijke wijze van lezersinformatie, een dienstverlening waarbij papieren media ruimschoots het nakijken hebben.
Of een recensent – werke hij/zij digitaal dan wel met inkt en papier – zich zou moeten uitsloven om allerlei contextuele informatie en bronnen aan te reiken? Ik weet het niet. Het hangt, denk ik, onder andere af van het soort boek dat besproken wordt. Hoe meer feitenrelaas, hoe meer mogelijkheden. Maar om nu links aan te gaan leggen naar Youtubige filmpjes met uitvoeringen van een in een roman genoemde symfonie… Je moet een lezer ook zelf wat laten doen.
Een recensie van Begeerte heeft ons aangeraakt van Bert Natter zou rijk te illustreren zijn. Maar de lol van het zelf naar die begeleidende stukken zoeken en dan op een andere uitvoering te stuiten dan die in de roman genoemd wordt, die lol moet je de lezer niet ontnemen. Zo werd ik van mijn stoel geblazen, niet toen ik een uitvoering op een volgens de roman vereist klavecimbel vond van het toch al wonderschone ‘Mein junges leben hat ein End’, maar toen ik deze vond… Ik dwaal af.
Een andere bedenking bij het linken van context aan een recensie is dat een recensie in de eerste plaats nieuws moet zijn, de literatuur moet volgen, en moet opiniëren. Een zekere snelheid is dan wel vereist, en die laat zich misschien minder makkelijk combineren met documentatie. Plus: ontstaat dan niet het gevaar van al te grote degelijkheid, zwaarheid, academisch gedoe? Je voorstel om maandelijks vanuit verschillende hoeken een boek te bespreken heeft de contouren van een werkgroep literatuuranalyse. En dat leidt dan weer naar de risicovolle pretentie de waarheid te proberen te formuleren over de waarde van een boek… Ik geloof dat ik meer houd van snelle, persoonlijk gekruide kritieken. Als iemand de moeite wil nemen daarvan goed geordende verzamelingen samen te stellen in een kolommetje met hyperlinks, tant mieux.
Verrast was ik (en ook wel blij, hoor) mijn naam genoemd te zien in je stuk, te midden van de titels van recensiewebstekken. Maar ik hoor daar, meen ik, echt niet bij. Ik ben als blogger geen recensent, al was het maar omdat ik op Klasse! niet de intentie heb de literatuur te volgen op een manier die ik wel verwacht van echte, recenserende media: journalistiek vaardig, actueel, goed geïnformeerd over het totale aanbod e.t.q. Ik heb bovendien geen welingelichte redacteur die lijnen uitzet, een schuin oog op de lezer houdt en verantwoordelijkheid neemt voor het informatieve en nieuwsgarende gehalte van het geheel der bijdragen. Ik schrijf op een weblog stukjes over boeken die ik om welke reden en met welke aanleiding dan ook heb gelezen en die me iets deden, mooie, aan- of ingrijpende, verrassende boeken, kortom wat ik vind dat goede boeken zijn. Ik doe dat niet om informatie over die boeken te verschaffen aan de lezers, van wie ik trouwens geen beeld heb, en ook geen bezoekfrequentiegetallen, en van wie ik me ook geen enkele voorstelling maak en wil maken. Ik doe dat omdat ik een lezer ben door hobby en door beroep, en misschien nog wel het meest van al omdat ik heel graag schrijf. Voor de lol. Daarmee ga ik graag door.
Met vriendelijke groet,
Fabian R.W. Stolk
Chrétien Breukers, bij De Contrabas, 25-08-2010:
‘Hoe sympathiek de site ook lijkt, of is, als je “geïnformeerde, informerende, argumenterende en beargumenteerde recensies” wilt vervaardigen, om “de grote mensen die in kranten schrijven” te bewijzen dat je iets kunt, dan ben je een heel lief circuspaard, dat rondjes draait in een sjofele tent. Schrijf dan maar een keer zonder informatie, recht uit het hartd, ongefundeerd. Zorg er dan maar eens voor dat die recensies aankomen, bij die “grote mensen”. Recenseren is volgens mij een kunst, geen kunstje.’
Daan Stoffelsen, 26-08-2010, 14.30:
Beste Chrétien, dank voor je reactie. Om een nuance aan te brengen: die ‘geïnformeerde, informerende, argumenterende en beargumenteerde recensies’, dat willen we nog steeds, maar ik hoop dat we die negatieve insteek – ‘de grote mensen’ bewijzen dat we iets kunnen – ontgroeid zijn.Het paard heeft de circustent allang verlaten, maar het weet nog hoe het moet draaien, draven, paraderen.
Of recenseren vervolgens een kunst of een kunstje is – geen van beide, lijkt me. Alle kunst heeft een ambachtelijke basis, en binnen het journalistieke genre van de recensie is die basis nadrukkelijk aanwezig. Een recensie is geen kort verhaal of gedicht, een recensie moet informeren. De vorm mag, mee eens, niet gekunsteld aandoen, de ambachtelijkheid mag niet opzichtig aanwezig zijn, maar het moet wel ergens op slaan.
En ja, mee eens, het liefst recht uit het hart (dat is niet hetzelfde als ongeïnformeerd en ongefundeerd, volgens mij), maar een recensie is niet primair bedoeld om iedereen op de banken te krijgen. Liever de bedaarde interesse van bibliotheekgangers dan een joelend circuspubliek. Schrijven over boeken is geen vluchtig vermaak.
Een circuspaard gallopeert inmiddels door de straten van de stad. De mensen kijken op en om.
Verwijzingen
Sec overname van het persbericht is buiten dit overzicht gehouden.
De Papieren Man: ‘Recensieweb is geëvolueerd naar een gedegen en serieuze recensiesite die zich toelegt op de Nederlandstalige literatuur en toont zich een van de voortrekkers in het vooralsnog dun bezaaide landschap van online literaire kritiek.’
Ons Erfdeel:
‘Recensieweb-redacteur Daan Stoffelsen maakt [...] de balans op van de voorbije vijf jaar en reageert op de kritiek die zijn website in die tijd kreeg.’
Aantekeningen bij de Bijbel: ‘Wie van lezen houdt en graag op de hoogte wil blijven van nieuwe boeken, komt vroeg of laat terecht op Recensieweb.’
Schrijven Online: ‘Wat is goede kritiek? Wat is nieuwe kritiek? Debatteer mee met recensieweb.’
Op Twitter:
10:12 PM Aug 18th Mirias Leuk: uitnodiging tot samenwerking verpakt als recensie (of andersom?) RT FHeinen: Dstoffelsen over internetkritiek: http://bit.ly/df16Ao
9:42 PM Aug 18th FHeinen En 2. een stuk van @Dstoffelsen over de mogelijkheden van Internetkritiek: http://www.recensieweb.nl/recensie/3268/ Interessant.
Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.
Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep
€ 54,95 | 851 pagina's
1933 | ISBN 9789025311643
Oordeel




(5/5)

Bestel uw boeken bij Athenaeum Boekhandel;
daarmee steunt u Recensieweb.
Meer over deze auteur
Een Wikipedia-artikel met plaatjes
Blogpost door Remco Wetzels, 9 september 2009
in Graphic novels
Andere recensies
De Groene Amsterdammer (slechts voor abonnees) 8weekly
Laatste recensies
Een cynische ode aan onverschilligheid
recensie van Oscar van den Boogaard, De tedere onverschilligen door Lucas van der Deijl, 14 mei 2013
Afgebakende perfectie
recensie van Saskia de Coster, Wij en ik door Tim van Dun, 12 mei 2013
Brave New Animal Dreamworld
recensie van Peter Verhelst, Geschiedenis van een berg door Carmen Meuffels, 12 mei 2013
Adembenemende inkijk in het kermismilieu
recensie van Erik Vlaminck, Miranda van frituur Miranda door Rein Swart, 7 mei 2013
Onnavolgbaar liedje
recensie van Margriet de Moor, Melodie d'amour door Daan Stoffelsen, 6 mei 2013
