Twijfelachtige dingen, geloofwaardiger dan de waarheid

door Jona Lendering, 16 maart 2011 Boekenweek

Dit is een estafetterecensie. Zie hieronder ook de bijdragen van Daan Stoffelsen, Karlijn de Winter, Wouter bok en Gemma Venhuizen

Het is wat omineus als de ik-figuur van een boek zichzelf aan de lezer voorstelt als handelaar in koffie, wonend op de Lauriergracht, no. 37. De verteller zal dan wel ’s Neêrlands alter ego zijn, Batavus Droogstoppel: bevooroordeeld, zelfvoldaan, xenofoob en moralistisch. De schrijver blijkt echter een Iraanse vluchteling, Refiq Foad, die aan de kost komt door te handelen in partijen afgekeurde koffie en zichzelf beschouwt als literator. De lezer zal na deze opening nog enkele keren op het verkeerde been worden gezet.

Op het eerste gezicht ontvouwt de vertelling in Kader Abdolahs leuke boekenweekgeschenk, De kraai, zich vrij rechttoe, rechtaan. We vernemen hoe een Iraanse jongeman zich voorneemt een Perzische schrijver te worden en hoe hij dat voornemen ten uitvoer brengt in Nederland, waar hij is beland nadat hij uit zijn vaderland heeft moeten vluchten. De gebeurtenissen die helpen het schrijverschap vorm te geven, vormen de inhoud van de novelle.

Het is hierbij niet altijd even duidelijk of de schrijver-vluchteling-koffiehandelaar de waarheid spreekt, zoals hij op de eerste bladzijde al toegeeft:

‘Soms vertel ik dingen waarvan ik twijfel of ze waar zijn, maar tot mijn verbazing komen ze geloofwaardiger over dan de waarheid’.

De eerste onjuistheid is zijn pen dan al ontglipt: Perzië is getypeerd als ‘het land van de oude koningen, van goud, vliegende tapijten, beeldschone vrouwen en Zarathustra’. De grote religieuze vernieuwer was geen Pers maar een Bactriër: zijn hymnen veronderstellen het leven op de Centraal-Aziatische steppen en zijn geschreven in een taal die het meest lijkt op het Vedisch, hij kreeg zijn openbaring aan de oevers van de Amu Darja (in Oezbekistan) en de plaats waar hij zou zijn vermoord is het Afghaanse Balkh (bij Mazar-e Sjarif).

Even verderop lezen we over de wijze waarop de verteller kennismaakt met de ‘onvergetelijke namen die de Perzische taal en literatuur [hebben] gevormd’, zoals Hafez, Saadi en Omar Khayyam. Hoewel de schrijver-koffiehandelaar anders suggereert, hebben deze dichters geen invloed gehad op zijn schrijverschap. Een wezenskenmerk van hun gedichten is namelijk hun meerduidigheid: ze roemen bijvoorbeeld de wijn, en dat mogen we letterlijk nemen, maar de wijn kan óók staan voor de Godservaring of – in het geval van Omar Khayyam – het plezier van wetenschappelijk onderzoek. Een Iraans gedicht is vaak op minstens twee manieren te lezen, zodat de lezer moet zijn voorbereid op religieuze poëzie die de vorm heeft van een liefdesliedje, of andersom. Deze ambiguïteit, wel eens aangeduid als iham, is volkomen afwezig in het lineair vertelde verhaal van De kraai.

Dat Kader Abdolah ons kennis laat maken met iemand die erkent dat twijfelachtige dingen vaak geloofwaardiger zijn dan de waarheid, creëert een probleem: welke van de gebeurtenissen die Abdolah door zijn personage laat beschrijven, zijn serieus bedoeld? (In feite is dit het literaire equivalent van de leugenaarsparadox.) Ik neem aan dat er geen dubbele bodem zit in het verhaal over de vlucht uit Iran, naar Istanbul en Nederland. Omgekeerd ontwaar ik voor mij ironie als een handelaar in koffie, wonend op de Lauriergracht, no. 37, enkele buitengewoon politiek-correcte meningen geeft over Anne Frank: zou Batavus Droogstoppel nu leven, dan was Het achterhuis voor hem wat de Schrift in 1860 voor hem was. Ik merkte dat ik niet altijd wist wat ik moest geloven, en dat maakt De kraai tot een prettige leeservaring.

Dat ligt natuurlijk ook aan Abdolahs onnavolgbare stijl. Als hij een vertrouwde Nederlandse uitdrukking gebruikt, weet hij deze te verbeteren:

‘Mijn dierbare overledenen zouden zich in hun graf omdraaien en met hun rug naar Nederland gaan liggen als ze te horen zouden krijgen dat hun nazaat, die ooit schrijver wilde worden, met een lang mes in een shoarmazaak zou staan.’

Elders zijn er rake observaties over racisme, over immigrantenkinderen die aan de universiteiten tien keer zo hard studeren als hun Nederlandse medestudenten, of de wijze waarop een migrantenhuwelijk kan mislukken. Maar wat De kraai vooral tot een leuk boek maakt, zijn de interne tegenspraken:

‘Als ik eerlijk ben, zijn alle dochters van de immigranten bijzonder. Ze zijn zelfstandig en staan pal achter de zaken van hun vaders.’

Zelfstandigheid komt doorgaans niet tot uiting met de behartiging van andermans zaken, maar de observatie klopt wel degelijk: ik kan zo enkele migrantenmeiden noemen die een enorme zelfstandigheid combineren met een compromisloze loyaliteit aan de ouders die hun vaderland moesten verlaten. Misschien valt over migrantenzaken wel alleen te spreken in paradoxen en is de waarheid alleen uit te drukken als fictie.

Deze recensie is eerder geplaatst bij Athenaeum.nl.

1: De professor zeurt

Door Daan Stoffelsen

Even professortje spelen. Behalve een kritische blik is welwillendheid essentieel om een kunstwerk goed te beoordelen. Je moet je uiterste best doen een boek, in dit geval, te begrijpen als een coherent geheel, als iets dat een richting, een bedoeling heeft. Vervolgens mag je je afvragen of dat een interessant geheel is, of dat doel de moeite waard is. Jona Lendering heeft hierboven een sterke poging gedaan de eenheid van het boekenweekgeschenk aan te tonen: er is één hoofdthema – het nieuwe thuiskomen van de vluchteling, zoals in alle ‘Nederlandse’ boeken van Abdolah – en één bepalende structuur – de verteller is onbetrouwbaar.

De verteller is onbetrouwbaar… óf de auteur heeft deze ongerijmdheden laten zitten. Aan Abdolah’s taal is weinig ongerijmds, die is direct en sober. ‘Ik had een bijzondere vader, hij was timmerman.’ Niets te raden daarover, maar des te meer over het personage van de verteller: Sjaalmanachtig vlekkeloos, maar hij oefent het beroep uit dat de nurkse tegenvoeter van Sjaalman in de Max Havelaar, Droogstoppel, uitoefende. Hij combineert de handel in koffie met het schrijven van literatuur, zijn verhalen over vlucht en inburgering met lesjes klassieke Nederlandse literatuur. Waarom?

Misschien moet ik niet naar verklaringen zoeken (ik zoek toch ook geen Christusmotieven naar aanleiding van dat timmermanschap?), misschien zijn die er wel, maar is dit boek te complex voor mij; misschien zijn ze er niet, en is De kraai een klusje erbij geweest, en zijn er foutjes in geslopen. Welwillendheid: laat me geloven dat het zo hoort en zo is, en laat me proberen over de inconsistenties heen te lezen.

Kritische blik: dan nog mist De kraai tempo, urgentie, en variatie op een thema dat Abdolah al twee decennia lang tot het zijne heeft gemaakt. Als u het boekenweekgeschenk leest, beschouw het als niet meer dan een klusje erbij.

2: ‘Lezer’

Door Karlijn de Winter

Heeft Abdolah ongerijmdheden laten zitten, zoals Daan Stoffelsen hierboven suggereert? Dat Abdolah’s koffiemakelaar van de Lauriergracht no. 37 ambieert om fulltime op een klein zolderkamertje literaire meesterwerken te schrijven, maakte bij mij juist hoge verwachtingen los. Lekker tegendraads, al op de eerste pagina: dit moest wel een verhaal worden met een verrassend, onvoorspelbaar verloop.

Zou er een aanklacht komen, iets over de westerse inmenging in het Midden-Oosten? Of een verfrissende kijk op de verhouding tussen literatuur en maatschappij? Verwijzingen naar de Max Havelaar zijn er in elk geval volop. Net als de negentiende-eeuwse klassieker verspringt de focus telkens van Amsterdam, waar de hoofdpersoon zakendoet en geld verdient, naar diens verleden in het oosten, in dit geval Iran. Hier liggen niet de bronnen van zijn handelswaar (‘Perzen zijn theedrinkers’), maar van zijn schrijverschap (‘[ik wilde] net als die man boven mijn bed een Perzische schrijver worden’).

Maar ondanks dat de verteller spreekt alsof hij een zeer belangrijke geschiedenis gaat onthullen (‘Lezer!’ zo opent hij), tuft het verhaal maar wat voort. Een jongen groeit op in Iran, zijn oom wijst hem de weg naar het schrijversbestaan. De Sjah wordt afgezet, de revolutie breekt uit, en de – inmiddels – jongeman schrijft af en toe een artikel, een verhaal en uiteindelijk een eerste roman die clandestien wordt uitgegeven. Wanneer hij eenmaal naar Nederland is gevlucht zijn we nog niet veel wijzer, behalve dat hij hier eindelijk zijn taal heeft gevonden, en de vrijheid, waarin hij kan schrijven.

Deze persoonlijke geschiedenis leest als een notitieboekje, waarvan de losse fragmenten te weinig zijn uitgewerkt om echt indruk te maken. Het aanhalen van Multatuli is een leuk gebaar, maar strekt niet verder dan dat. Van een aanklacht of een literair manifest is geen spoor.

3. Geschreven keurslijven of Abdolah op de automatische piloot

Door: Wouter Bok

Inderdaad: meer dan een notitieboekje is het niet, dit Boekenweekgeschenk van Kader Abdolah. Dit werk maakt een onaffe en vooral ongedurfde indruk. Dat komt met name omdat Abdolah zich wel heel braaf aan het voorgeschreven thema ‘Curriculum Vitae: Geschreven portretten’ houdt, niets meer dan dit: een schrijver vlucht uit Iran naar Nederland en bouwt hier een nieuw leven op. Dat past prima bij deze boekenweek, en het leest bovendien makkelijk weg.

En daar wringt nou juist de schoen: Abdolah zet het allemaal zo gemakzuchtig neer, alsof hij op de automatische piloot schrijft. Waar hij tracht enige gelaagdheid in het verhaal aan te brengen (door Batavus Draagstoppel en de structuur van de Max Havelaar te adopteren en te verwijzen naar Nederlandse klassiekers als Couperus, Gorter en Hermans) komt dat al te gekunsteld over en slaat hij volledig de plank mis. Ik kreeg gaandeweg de indruk dat tijdens het schrijfproces Abdolahs boekenkast was omgevallen, hij lukraak titels van de grond raapte en er zijn voordeel mee deed.

Dat is om te beginnen al niet origineel, maar vraag is ook wat de lezer ermee aan moet Het lijkt wel alsof citaten alleen maar de ervaringen van de verteller als vluchteling en migrant illustreren; deze opvulsels hadden net zo goed weg gekund. Hoe relevant is het bijvoorbeeld dat de verteller zich herkent in de oorlogsbeschrijvingen van Hermans’ In de mist van het schimmenrijk? Hij beschrijft zijn eigen ervaringen immers al en deze zijn in een dergelijk compact boek interessanter. De krampachtig gebruikte literaire verwijzingen roepen onnodig vragen op, en het leesplezier wordt er meer door belemmerd dan bevorderd. Door de vergezochte en vreemd ingezette aspecten van intertekstualiteit wordt De kraai geen geschreven portret, maar eerder een geschreven keurslijf dat de suggestie van diepte moet wekken.

De keuze voor Abdolah was een logische: deze auteur is in zijn oeuvre gefascineerd door zijn land van herkomst en zijn (nieuwe) identiteit. Deze onderwerpen worden nog wel iets intrigerend uitgewerkt in een boek als Het huis van de moskee. De kraai is echter eerder een suffe en verwarde huismus, wiens lokroep een slappe en bijeengegraaide echo is van wat Abdolah al uitentreuren heeft geschreven.

4: De ekster

Door: Gemma Venhuizen

Onder literatuurcritici wordt wel gezegd dat goede recensies niet met een citaat beginnen en bovendien niet te veel citaten bevatten. Doet het dat wel, dan heeft de recensent in kwestie schijnbaar weinig verheffends over het boek te melden.
In die zin zou het ook op gemakzucht kunnen duiden als een schrijver in zijn roman of novelle veel fragmenten uit andere boeken overneemt. Zeker als de betreffende passages weinig aan het verhaal lijken toe te voegen.

Wat dan te denken van de vele knipsels uit de Nederlandse literatuur in De kraai – van Herman Gorter, Willem Frederik Hermans, Frederik van Eeden en anderen?

‘Ik heb dit gedicht opgenomen in mijn tekst, want als je de woorden van een andere schrijver in je verhaal gebruikt, worden die woorden op de een of andere manier van jou’, aldus de ik-figuur in Abdolah’s novelle over Gorters Mei. En daar wringt het. Wil de hoofdpersoon, zowel ‘makelaar in koffie’ als schrijver, bij gebrek aan eigen talent met andermans woorden pronken? Of is het juist een hommage van een Perzische auteur aan zijn Nederlandse collega’s?

Natuurlijk, Abdolah is zijn personage niet. En dat hij citaten uit allerlei bekende Nederlandse teksten overnam, bedoelde hij vast op een multiculturele literaire manier. Hij tilt Mei over de landsgrenzen heen, naar Ispahan; hij laat De kleine Johannes een eerste aanzet zijn tot inburgering. Abdolah zet je aan het denken: in hoeverre is literatuur verbonden met de taal waarin het geschreven is? En wat te doen als je als schrijver van je eigen taal beroofd bent?

De citaten, hoe goed bedoeld ook, brengen geen samenhang aan in de tekst – het blijven vreemdelingen in het verhaal. De enige constante in het boek is de kraai, die meevliegt naar Ispahan en Istanboel en Amsterdam.
Misschien was een ekster meer op zijn plaats geweest – de vogel die mooie glimmende objecten zoekt om zijn eigen nest mee te verfraaien.

Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.


Kader Abdolah

De kraai

Uitgeverij CPNB

€ 0 | 96 pagina's

2011 | ISBN 9789059651234


Oordeel (3/5)


Bestel uw boeken bij Athenaeum Boekhandel;
daarmee steunt u Recensieweb.

Laatste recensies

Een cynische ode aan onverschilligheid

recensie van Oscar van den Boogaard, De tedere onverschilligen door Lucas van der Deijl, 14 mei 2013

Afgebakende perfectie

recensie van Saskia de Coster, Wij en ik door Tim van Dun, 12 mei 2013

Brave New Animal Dreamworld

recensie van Peter Verhelst, Geschiedenis van een berg door Carmen Meuffels, 12 mei 2013

Adembenemende inkijk in het kermismilieu

recensie van Erik Vlaminck, Miranda van frituur Miranda door Rein Swart, 7 mei 2013

Onnavolgbaar liedje

recensie van Margriet de Moor, Melodie d'amour door Daan Stoffelsen, 6 mei 2013

Steun ons! Volg ons!