Schaduw Toplijst AKO literatuurprijs 2010
Blogpost door Tom Boeije, Emeraude van Deenen, Marleen van den Hoven, Annette Jenowein, Hannah van Pijkeren, Mathijs Prins, Renée de Rijke, Roos van Rijswijk, Daisy van Schaijik, Patrick Speel, Tom Steendam, Jan-Willem ter Veen en Zadok Wiznitzer, 30 september 2010 AKO Literatuurprijs
Een dag voordat de jury van de AKO literatuurprijs op 1 oktober de toplijst bekend maakt, presenteert de schaduwjury, bestaande uit studenten literaire kritiek aan de VU onder leiding van Elsbeth Etty (hoogleraar literaire kritiek), de door haar genomineerde zes titels voor de AKO literatuurprijs 2010:
Tom Lanoye: Sprakeloos
David van Reybrouck: Congo, een geschiedenis
Thomas Rosenboom: Zoete mond
Peter Terrin: De bewaker
Franca Treur: Dorsvloer vol confetti
Bart Vercauteren: Het graf van de voddenraper
Hoezeer de schaduwjury, die behalve taal- en letterkundestudenten ook aankomende historici en filosofen bevat, het ook waardeert dat er non-fictie mag meedingen naar een literaire prijs, blijft het een vrijwel ondoenlijke opgave de spreekwoordelijke appels met peren te vergelijken. Beoordeel je een gedegen dissertatie over Prins Bernhard, hoe beeldend geschreven ook, volgens dezelfde criteria als het literaire vuurwerk van een woordkunstenaar als Tom Lanoye? Nee. Omdat de AKO Literatuurprijs voor alles een literaire prijs is, hebben wij de essayistiek en de historische werken van de tiplijst primair langs een literaire meetlat gelegd. De enige non-fictie titel die zowel inhoudelijk als qua taal- en verbeeldingskracht voor een literaire prijs in aanmerking komt, is volgens ons het met Shakespeariaanse allure geschreven Congo, een geschiedenis van David van Reybrouck.
Bij de nominatie van de vijf fictietitels hebben wij geen voorkeur aan de dag gelegd voor bepaalde genres. Van Sprakeloos is niet eens vast te stellen of het fictie of non-fictie is; een roman of een autobiografie. De auteur heeft een geheel nieuw genre gecreëerd, toegesneden op het verhaal dat hij alleen op deze manier kon vertellen. Evenmin als door naam en faam van de schrijvers hebben wij ons laten leiden door de publieke aandacht en nominaties voor andere prijzen, die een aantal van de tiplijst-auteurs ten deel is gevallen. Wij zijn volledig op ons eigen oordeel afgegaan en hebben dus ook niet geanticipeerd op de keuze die de officiële AKO-jury gaat maken. De schaduwjury was niet over alle titels van de tiplijst enthousiast. Wel waren wij aangenaam verrast door Bart Vercauterens Het graf van de voddenraper, dat ten onrechte in de Nederlandse media weinig tot geen aandacht heeft gekregen. Bij ons heeft Vercauteren duchtig moeten concurreren met meer gevestigde namen, zoals Saskia de Coster en D. Hooijer, waarbij uiteindelijk het boek en niet de (on)bekendheid van de auteur de doorslag gaf.
Dat was uiteraard ook het geval bij Tom Lanoyes Sprakeloos, dat ons van bewondering haast met stomheid sloeg. In een theater van woorden larmoyant, dik aangezet, overdreven, gezwollen, zoals alleen hij dat kan, vertelt Lanoye hoe zijn moeder háár taal verliest. Haar onherroepelijke neergang wordt geschilderd in een ‘klaagzang, een eerbewijs en een krakende vloek tegelijk’ van een zoon die het ‘hemeltergend zwijgen dat zijn ziel opvreet’ niet kan aanvaarden. Een zoon die naar haar ‘diabolische dialect’ terugverlangde toen hem duidelijk werd dat ze nooit meer zou terugpraten, dat er nooit meer een antwoord zou komen. Lanoye is de meester van de grote gebaren, van de theatrale retoriek, van de poëticale overdrijving, van taalkundige goocheltrucs. Net als zijn moeder, in haar enige uitlaatklep als slagersvrouw op het amateurtoneel, weet hij alles van schmieren en slijmen, van het ophouden van schone schijn, van verhullen en verpakken. In deze roman, die geen roman wil zijn, gaat de taalvirtuoos zijn vrije gang in wat hij het beste kan: de realiteit geweld aandoen.
In David van Reybroucks Congo, een geschiedenis wordt de realiteit uitdrukkelijk geen geweld aan gedaan, maar theatraal is het zeker. Door zich te baseren op vaststaande gegevens (die overigens in Congo nooit werkelijk vaststaan) en te streven naar een voor zover mogelijk waarheidsgetrouwe verificatie, gaat de auteur te werk als historicus. De feiten krijgen een ziel doordat hij veel mensen heeft gesproken die deel uitmaken van de geschiedenis van Congo. Historische figuren als Lumumba en Mubuto (samen per scooter op weg naar een voetbalwedstrijd) trekken aan ons voorbij, zoals heel de geschiedenis van dit gebied aan de westkust van Afrika, dat thans officieel ‘de Democratische republiek Congo’ heet. Daarbij is deze goed gedocumenteerde geschiedenis ook nog eens een ijzersterk literair werk, door de poëtische beelden, superieure stijl en mythische proporties van de gebeurtenissen. Het dompelt je onder in de klassieke tragedie van een land dat gezegend (want rijk) en gedoemd (want doelwit) zijn noodlot tegemoet is gegaan. Congo gaat over een megalomane en verveelde koning, roekeloze besluitvormingen, landjepik, ongelofelijke ontberingen, oerwouden en rivierhandel, geletterde slaven, inheemse ziekten, technologische ontwikkelingen en traditionele leefpraktijken, urbanisatie en het ontstaan van een levendige stadscultuur, sadisme, rassenhaat, roofzucht, rubber en diamant, geopolitieke doeleinden, erkenning en zelfrespect, inlandse gebruiken en beschavingsoffensieven. Maar het boek ontroert ook waar er sprake is van liefde en mededogen, van empathie en coulance, van toenadering en begrip, van verlangen en vervreemding. Congo, een geschiedenis is een adembenemend boek, over een geschiedenis waarvan je wenste dat hij nooit eindigde.
Het omgekeerde geldt voor de roman Zoete mond van Thomas Rosenboom, waarvan je juist wilt dat hij ophoudt, maar die door de dwingende verteltrant en plot tot de laatste punt moet worden uitgezeten. Drie verhaallijnen, die van de extravagante Jan de Loper, de contactgestoorde dierenarts Rebert van Buyten en de witte dolfijn Moby, zijn op een bijzondere manier met elkaar verweven en werken alle drie langzaam maar zeker toe naar een climax: eenieder hervindt op zijn eigen manier het geluk en de vrijheid. Rosenboom combineert in deze roman op een fascinerende manier fictie en non-fictie: Jan de Loper is geënt op Kees de Tippelaar (een bestaand persoon uit de negentiende eeuw) en ook de tocht van de witte dolfijn over de Rijn vond in 1966 daadwerkelijk plaats. Ondanks de evidente eigenaardigheden van Jan de Loper en Rebert van Buyten blijven deze personages met al hun imperfecties en gevoeligheden menselijk. Ze roepen zelfs sympathie op. Hun eenzaamheid en eeuwige zoektocht naar erkenning maken Zoete mond tot een beklemmende, aangrijpende roman en in combinatie met de manier waarop Rosenboom de taal weet te bespelen tot een prachtig literair kunstwerk.
Als er één roman is waarin de beklemming tastbaar wordt dan is het De bewaker dat de lezer letterlijk bij de strot grijpt. Peter Terrin beschrijft de angst van twee bewakers voor een onbekende oorlog buiten het gebouw waar zij de laatste bewoner van veiligheid voorzien. Hun dagen slijten zij routineus, om de beurt vijf uur slapend. De eindeloze traagheid van het bestaan van Michiel en Harry komt naar voren in het gedetailleerd beschreven zorgen om een vlieg in de kelder, of het ophangen van een jas. Geen enkele actie of gedachte en geen enkel geluid nemen de mannen zonder reden in acht en zelfs wanneer er onregelmatigheden in hun voortkabbelende bestaan sluipen, wijken zij niet van elkaars zijde. Hun vriendschap lijkt van eenzelfde orde als de routine: zonder zouden ze verdwalen in onwetendheid en vragen.
Naarmate het verhaal vordert, wordt het steeds complexer. Dromen, waanbeelden, gedachtestromen en werkelijkheid wisselen elkaar af tot je niet meer weet wat nu wel of niet ‘waar’ is. Bestaat de overgebleven bewoner wel en belangrijker: bestaat Harry wel? Steeds meer lijkt deze starre man een deel van Michiel te zijn. Een deel waar hij vanaf wil bovendien, maar dat hij niet kan ontvluchten. Harry is een veilige haven, net als de kelder waar Michiel na een absurde omzwerving door het complex weer naar terugkeert. Een gedachte aan de grot van Plato dringt zich op, zoals ook vergelijkingen met Franz Kafka, Samuel Becketts Wachten op Godot en De stad der blinden van José Saramago zich doen gelden. Maar Terrin schept een wereld die op eigen benen staat. Zijn verteltrant, waarin schijn en werkelijkheid, hallucinatie en droombeelden, gedachtestromen en angstvisioenen over elkaar heen buitelen, voedt de fantasie en laat veel te raden over. De bewaker leest als een psychologische thriller, maar is tegelijk een metafoor voor het leven zelf. De absurdistische humor, de filosofische verwijzingen en de uitgesproken onsympathieke personages maken De bewaker tot intrigerende en ongemeen spannende literatuur.
Dorsvloer vol confetti van debutante Franca Treur beschrijft het leven van de levendige puber Katelijne, die samen met haar orthodox-christelijke ouders, haar grootmoeder en haar zes broers in een behoudend Zeeuws dorpje woont. Koeien melken, het land bewerken, midden op de dag slapen, koffie drinken, geplaagd worden door haar broers en zich verschansen op haar kamer om boeken te lezen zijn dagelijkse routine. Al gauw word je meegezogen in de alledaagse, maar filmisch beschreven gebeurtenissen waarin Katelijne steeds sympathieker wordt.
De losmaking van haar milieu en geloof heeft nergens het karakter van een persoonlijke afrekening, waardoor de roman aan algemene geldigheid wint. Bijzonder is de zintuiglijke wijze waarop Treur schrijft: als vanzelf vormen haar beelden zich op je netvlies, als zij een koude dag beschrijft krijg je het al lezend zelf koud. Ongehoord knap is dat deze roman, die consequent vanuit het perspectief van een pubermeisje is geschreven, soepel en zelfs gemakkelijk leest, zonder dat dit aan de rijkdom van Treurs poëtische taal of de complexiteit van haar thematiek afbreuk doet. Dorsvloer vol confetti lijkt ‘makkelijk’ geschreven, omdat het makkelijk leest, als een jeugdboek bijna, maar daarin zit hem nu juist het raffinement van deze zeer volwassen roman.
Het graf van de voddenraper van Bart Vercauteren kan worden gelezen als een biografie van het Vlaamse dorpje Mortsel, dat in 1943 werd getroffen door een bombardement. De auteur is van na de oorlog en heeft de vernietiging van de plek waar hij opgroeide niet zelf meegemaakt. Wel heeft hij – net als zijn romanpersonage René de grafdelver – altijd geleefd tussen de wrakstukken, de doden en de andere herinneringen aan het bombardement. In de gesprekken die de grafdelver op het kerkhof voert over zijn herinnering aan de onheilsdag, zijn de verhalen van andere Mortselse bewoners op een natuurlijke manier verweven, waardoor duidelijk wordt hoe bij iedereen gaten in het leven zijn geslagen. Het graf van de voddenraper is een knap geconstrueerde, symbolisch geladen en beeldende roman. Geen ‘zoveelste zeuren over de oorlog’, zoals de hoofdpersoon het uitdrukt, maar een heel klein stukje geschiedenis van een onbekend dorp met bescheiden mensen, dat in prachtige taal groots is verwoord.
Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.
Laatste recensies
Een cynische ode aan onverschilligheid
recensie van Oscar van den Boogaard, De tedere onverschilligen door Lucas van der Deijl, 14 mei 2013
Afgebakende perfectie
recensie van Saskia de Coster, Wij en ik door Tim van Dun, 12 mei 2013
Brave New Animal Dreamworld
recensie van Peter Verhelst, Geschiedenis van een berg door Carmen Meuffels, 12 mei 2013
Adembenemende inkijk in het kermismilieu
recensie van Erik Vlaminck, Miranda van frituur Miranda door Rein Swart, 7 mei 2013
Onnavolgbaar liedje
recensie van Margriet de Moor, Melodie d'amour door Daan Stoffelsen, 6 mei 2013