Schaduwjury: Sievez of Speedboot?

Blogpost door Karlijn de Winter, Yvette van den Berg, Marjolein Tamis, Lucy van Kleef, Gitta Timmers, Anne Middelweerd, Anita van Prooijen, Anna Snoei en Marjo Snoodijk, 12 oktober 2005 AKO Literatuurprijs

Als studenten literaire kritiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam hebben wij de afgelopen weken gefungeerd als schaduwjury voor de AKO Literatuurprijs 2005. We hebben de zes genomineerde boeken gelezen, bediscussieerd en gerecenseerd. Hoewel we vraagtekens plaatsen bij het ontbreken op de shortlist van titels als De thuiskomst van Anna Enquist en De verdronkene van Margriet de Moor en de nominatie van Wanda Reisels roman Witte liefde niet door iedereen werd begrepen, kon de shortlist voor het overige onze goedkeuring wegdragen.

Anders dan gebruikelijk in een jury-rapport waarin alleen in lovende termen over de genomineerde boeken wordt geschreven, leveren wij ook kritiek door de minpunten van de genomineerde boeken eveneens aan bod te laten komen. Tot slot wagen we ons aan een voorspelling over de winnaar.

In dit schaduw-juryrapport behandelen we de zes boeken op alfabetische volgorde van de auteursnamen te beginnen bij De joodse messias, een originele roman in de zo typerende cynische stijl van Arnon Grunberg.

De hoofdpersoon van De joodse messias, Xavier Radek, is geen standaard puber die zich vooral met zijn eigen problemen bezig houdt. Hij bekijkt de dingen van de positieve kant, wat hem in staat stelt zijn nogal ongeïnteresseerde ouders en zijn opa, een ex-kampbeul, met niets dan liefde te bezien. Gelukkig met zijn leven, gaat hij op zoek naar iemand die het minder getroffen heeft dan hij, iemand die weet wat lijden is, en bij wie kan hij dan beter zijn dan bij de jood, ‘de vijand van het geluk’? Hij besluit trooster van de joden te worden en met een kleine leugen over zijn afkomst (‘geassimileerde jood uit Polen’) integreert hij in de joodse gemeenschap van Basel.

Zijn ouders, en vooral zijn moeder, heimelijk antisemiet, zijn hier niet blij mee, maar het lukt niet om Xavier op andere gedachten te brengen. Hij raakt bevriend met Awromele, de zoon van de rabbijn. Die snapt niet veel van zijn bedoeling de joden te troosten, maar wil hem graag helpen bij het leren van Jiddisch en zorgt ook voor een adres waar Xavier zich goedkoop kan laten besnijden. De besnijder is een slechtziende bejaarde koosjere-kazenimporteur die al vier jaar geen operatie meer heeft uitgevoerd, maar de concurrerende prijs geeft de doorslag. De besnijdenis loopt uit op een rampzalige situatie waarin Xavier een teelbal verliest en de besnijder als kindermolesteerder in de gevangenis belandt, waar hij vervolgens zelfmoord pleegt.

Dat het hele plan een verkeerde afloop zal hebben hangt als een donderwolk boven het verhaal, maar voorspelbaar zijn de ontwikkelingen geenszins. Tergend langzaam – van idee tot uitvoering duurt bijna honderd pagina’s – volg je Xavier in het proces, wetend dat het fout zal gaan maar zonder te weten hoe fout.

Xavier zelf ziet dit niet zo en eerder gesterkt dan aangedaan door de gebeurtenissen begint hij met het ontwikkelen van zijn schildertalent. Vast thema van elk van zijn schilderijen is zijn moeder die het potje met zijn teelbal op sterk water, ‘Koning David’, vasthoudt. Gedreven door de complimenten over zijn werk vertrekt hij met Awromele, inmiddels zijn geliefde, naar Amsterdam om te studeren aan de Rietveld Academie.

Dit ontaardt in een teleurstelling. Op de academie zien ze geen vooruitgang in zijn stijl en raden hem aan iets anders te gaan doen. In de liefde loopt het ook niet op rolletjes. Awromele is voortdurend ontrouw, omdat hij ‘nou eenmaal geen nee kan zeggen’. Xavier kan het niet meer aan en wil naar Israël, nog altijd in het kader van zijn plan om de joden te troosten.

In Israël rolt hij de politiek in en met behulp van zijn overtuigende redevoeringen en betoverende ogen brengt hij het razendsnel van de lokale politiek tot de functie van premier. Zijn roze bril ruilt hij in voor meedogenloosheid en in plaats van mensen te troosten maakt hij hen nu het leven zuur. Uiteindelijk verbitterd door zijn werk en de liefde begint hij als provocatie kernwapens te leveren aan regeringen over de hele wereld. Dit kan niet anders eindigen dan in het einde van de aarde – een wolk die in de vorm van een paddestoel in de laatste bladzijden van het boek uit de grond schiet. Met de beste bedoelingen heeft de trooster van de joden uiteindelijk het hele volk vernietigd.

De sneeuwbal die het synagogenbezoek is eindigt in een lawine van grote en kleine rampen naarmate Xavier meer integreert in het joodse leven. Het enorme tempo van Grunbergs schrijfstijl draagt nog eens extra bij aan dit effect. De belevenissen van Xavier en Awromele worden afgewisseld met die van personen uit hun omgeving, allemaal even absurd en onvoorspelbaar. Deze verhalen wachten allemaal lang op hun afronding, eindeloos weet Grunberg met veel triviale en soms scherpe opmerkingen de situaties te rekken. Dit wekt een grote spanning op, die duurt tot het moment dat Xavier naar Israël wil. De vraag hoe hij zich uit deze situatie gaat redden verandert plotseling in bespiegelingen over de precieze uitvoering van zijn taak als redder van de joden. Een stuk minder spannend. De lawine brokkelt al uit elkaar voor hij de grond raakt en dat is jammer van het verhaal dat zo grappig en verwachtingsvol begint.

Dat De Joodse Messias veel stof heeft doen opwaaien is niet verbazingwekkend. Aan de lopende band worden uitspraken als ‘jodenhaat is de ware vorm van liefde’ en de gedachte dat de Tweede Wereldoorlog een preventieve oorlog was beaamd door de personages. Xavier vertoont als zogenaamde messias wel erg veel overeenkomsten met Hitler – zijn ene bal, de kunstacademie, zijn betoverende ogen, zijn overtuigingskracht in zijn redevoeringen, tot de bunker waar hij zich aan het einde in bevindt. Tegelijkertijd doet hij als provocerende relnicht denken aan Pim Fortuyn.

Daarnaast zijn ook de gebeurtenissen zelf niet van het soort waarbij je lekker onderuit in je stoel gaat zitten. De rampzalige besnijdenis, zinloos geweld, huiselijk geweld, martelingen, seksueel misbruik, de moeder die zichzelf snijdt, het komt allemaal aan de orde. En dan nog alles wat er zich in het hoofd van de personages afspeelt. De cumulatie van dit onheil zou ondraaglijk worden als Grunberg de personages niet zo ontwapenend oprecht had gemaakt. Niets wordt gedaan zonder overtuiging of wegens een asociale mentaliteit.

De cynische stijl van Grunberg contrasteert met het oprechte denken en doen van de personages, wat je als lezer een aanhoudende lachbui oplevert. Soms geeft die stijl geen ruimte aan de vele interessante denkbeelden die er ook in het verhaal verwerkt zitten. Grunberg maakt veel gebruik van originele en interessante vergelijkingen, maar de tijd om erover na te kunnen denken ontbreekt, je wordt al meegesleept in de rest van het verhaal of geraakt door een nieuw inzicht voor je het voorgaande hebt kunnen verwerken.

Grunberg heeft zeker veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van de personages, al gaat het veelal om flat characters. Ze streven allemaal naar geluk, maar dit eindigt altijd in ongeluk. Het is zoals de molesteerder van Awromeles zusje zegt: ‘de deur van het geluk gaat naar buiten open. Er is niets aan te doen. Jij probeert de deur van het geluk naar binnen te openen. Dat werkt niet.’ Waar het Xaviers doel is al deze mensen, mits ze joods zijn, te troosten, vinden de meeste van de slachtoffers hun houvast in zelfgecreëerde redders, variërend van Snoopy tot een pelikaan (en Xavier zelf heeft Koning David). Als ze aan het einde allemaal in hun schuilkelders zitten, wachtend op de atoombommenregen, van alle hopeloze situaties in het boek wel de meest hopeloze, roepen ze stuk voor stuk hun redders nog eens aan. Want ‘het laatste wat sterft, is hoop’.

Net zo hoopvol als zijn personages is het begin van de roman. Maar met de teleurstellende climax gaat Grunberg er uiteindelijk net onderdoor. En dit zal waarschijnlijk ook zo zijn bij de toekenning van de AKO-literatuurprijs.

Filosofie en literatuur zijn met elkaar verenigd in Het onverwachte antwoord van Patricia de Martelaere. Deze Vlaamse auteur is hoogleraar wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit van Brussel en heeft in dit kader ook filosofische essaybundels gepubliceerd. Dat filosofie en literatuur voor haar geen strikt gescheiden disciplines zijn, valt bij lezing van dit boek al snel niet meer te betwijfelen. Voor De Martelaere is een boek niet makkelijk onder een enkele noemer te vangen. Omdat het in Het onverwachte antwoord om fictie gaat en haar taal hier niet de functie heeft van het onderbouwen van argumentaties, valt het onder de literatuur, en lijkt het filosofische karakter ervan in eerste instantie wat meer op de achtergrond te staan.

In de roman staat één man, Godfried H., centraal. Zelf komt hij nauwelijks aan het woord, omdat Het onverwachte antwoord juist is geschreven vanuit het perspectief van vijf vrouwen van wie het leven helemaal om hem draait. In de eerste helft van het boek komen ze ieder om de beurt in een eigen hoofdstuk aan bod. ‘Ze’ zijn onder andere de psychoanalytica Anna, zijn vrouw, de genetica Clara, zijn minnares, en de portretschilderes Esther. Het zijn allemaal verschillende persoonlijkheden met een eigen leefwereld die De Martelaere uitstekend een eigen kleur weet te verlenen.

Als lezer ben je niet alleen getuige van de dagelijkse bezigheden en belevenissen van de vrouwen. Dikwijls worden er namelijk herinneringen en overpeinzingen tussen geweven, waardoor je vaak ook al een behoorlijk beeld krijgt van de band die de dames hebben met Godfried. De niet-rechtlijnige vertelwijze is absoluut niet storend maar geeft juist blijk van de creativiteit én werkelijkheidsgetrouwheid – want zou de werking van onze hersenen dan anders zijn? – waarmee De Martelaere vertelt.

Vervolgens ontvouwt zich ‘De Liefdesbrief’, het tweede gedeelte, dat niet veel minder dan de helft van het boek in beslag neemt. Deze heeft plotseling een radicaal andere uitstraling. Alle geobsedeerde vrouwen laten hier tegelijk hun stem horen – dat wil zeggen, ze schrijven allemaal mee aan de collectieve brief aan Godfried H. Hij bestaat uit vele losse fragmenten waarin meestal wel gesuggereerd wordt door wie de schrijfster is, maar het ligt er nooit dik op. De vrouwen lijken daarom met elkaar te versmelten, alsof ze een gezamenlijke belichaming van het liefdesverlangen vormen.

‘De liefdesbrief’ is hoe dan ook het hoofdstuk dat het meeste je actieve betrokkenheid vergt. Het is namelijk hier dat De Martelaere als filosofe tevoorschijn treedt en dus niet afkerig is van een diepgravende en vooral langdurige reflectie op een bepaald fenomeen. In dit geval is dat fenomeen de liefde, of beter gezegd, de obsessie voor de man van wie ze allemaal bezeten zijn. Ze geeft duidelijk weer hoe wanhopig zo’n magnetische aantrekkingskracht kan zijn.

‘Ik blijf maar schrijven. Schrijven (…) is zoals jou strelen, eindeloos aftasten, proberen de juiste plaatsen te vinden, proberen ergens doorheen te raken, binnenin te raken.
Je moet wel denken: ze is blijkbaar altijd met mij bezig. Dat stoort mij enigszins, dat je dat zou denken. En ik, zodoende: nee, ik ben eigenlijk niet met jou bezig – dit is alleen een stijloefening, ik vind je uit op papier, ik schrijf een woordenboek over de liefde, tegelijk een atlas van de wereld, je komt er alleen maar in voor.’

Dergelijke bespiegelende stukken blijven elkaar pagina’s lang opvolgen. Aan de ene kant werkt De Martelaere het thema bewonderenswaardig goed uit, maar aan de andere kant wordt het op een gegeven moment vrij eentonig en zelfs drammerig. Wellicht is de poging om filosofie in literatuur te drenken hier wel iets te ver doorgetrokken. Dat is jammer, maar hiertegenover staan nog altijd wel de eerste vijf hoofdstukken, waarin levendigheid en creativiteit duidelijker aanwezig zijn. De diepzinnige stukken, die dicht bij de menselijke ervaring staan, komen hier evengoed ook om de hoek kijken. En het is dan ook in het eerste gedeelte van het boek dat de twee disciplines perfect met elkaar in balans zijn. In de tekst die volgt helt de waag wat te lang naar eenzelfde kant over, maar De Martelaere laat de lezer zo niet achter: als onverwachte verrassing komt ze op de allerlaatste pagina’s nog eens levendig tevoorschijn met een uiteindelijk bewijs van haar veelzijdigheid.

Haar moeder vertelde haar ooit over de verhouding die zij had gehad tijdens haar huwelijk. Die bekentenis vormde voor Wanda Reisel de aanleiding tot het schrijven van Witte liefde , een boek over een heftige en onmogelijke liefde.

Witte liefde begint in de koelcel van een mortuarium. De vrouwelijke hoofdpersoon Rosa – Ro – Muller is na een ziekbed overleden en lijkt zich dat pas te realiseren als zij wordt opgebaard. ‘Het is nu wel heel erg stil. Ik geloof dat ik echt dood ben’.

Ro maakt de lezer op een kille, ironische toon deelgenoot van haar verbazing dat zij ondanks haar dood ‘nog een helder hoofd heeft’ en haar vertrek naar elders heel bewust meemaakt.

Veel kan zij zich niet van haar leven herinneren, maar een paar beelden staan in haar geheugen geëtst.

Zij kan zich bijvoorbeeld nog goed een zomers verblijf met haar vriendinnetje Do aan de Belgische kust herinneren. Zomer, kust; ‘nu komt het’, denk je, maar neen, Ro verwondert zich inmiddels alweer over het interieur van haar kist.

De schrijfster lijkt niet goed te weten hoe zij het verhaal moet beginnen. Zij heeft er vier hoofdstukken voor nodig om uit de kunstmatige inleiding te stappen.

Maar dan word je ook helemaal meegenomen naar het paradijselijke eiland Curaçao van de jaren vijftig, dat als decor dient voor het verhaal over een onmogelijke liefde. Ro is getrouwd met de ambitieuze architect Rudi Weller. Ze hebben een dochtertje, Ingi. Als Rudi een baan aangeboden krijgt op Curaçao, verhuist het gezin. Al snel maken Ro en Rudi deel uit van het societyleven, dat van levensbelang blijkt te zijn op het kleine eiland.

Tijdens een concert in hun tuin leren Ro en Rudi de journalist Bob Krone kennen. Vanaf de allereerste aanblik voelen Ro en Bob Krone zich verlamd, ‘als na een aanvaring met een sidderrog’. Een onmogelijke liefde in wording. Onmogelijk, omdat beiden getrouwd zijn. Maar zoals het de liefde betaamt, laat zij zich niet leiden en een verhouding is dan ook onvermijdelijk. Lang duurt de verhouding niet, want de overspeligen worden op heterdaad betrapt door Rudi.

Het einde van de verhouding betekent ook het einde van het verblijf van Ro en Rudi op Curaçao. Zij keren terug naar Nederland en proberen daar de draad van hun huwelijk weer op te pakken: ‘De levens van Rudi en mij schoven van toen af aan langs elkaar heen, licht als vitrage.’ Ro en Bob ontmoeten elkaar nooit meer, maar Bob ziet Ro nog eenmaal als hij tijdens haar begrafenis langs de open kist loopt.

Een verhaal met overspel als onderwerp bevat meestal een geijkte verzameling componenten: onweerstaanbare aantrekkingskracht, overgave, heimelijkheid, schuldgevoel, weggaan en weer terugkomen, wanhoop, ontdekking. Witte liefde vormt hierop geen uitzondering maar Reisel weet de platgetreden paden goed te camoufleren. Bijzonder indringend is de manier waarop zij de elektriciteit tussen Bob en Ro weet weer te geven. Zij heeft hiervoor overigens geen expliciete beschrijvingen van sekuele handelingen nodig. De enige naakte lichaamsdelen die in het boek ter sprake komen, zijn blote schouders in haute couture cocktailjurken. Is ook wel eens prettig. De manier waarop de wederkerigheid van de gevoelens tussen Bob en Ro duidelijk wordt gemaakt, is simpel: Reisel laat het perspectief in het verhaal keurig wisselen van de een naar de ander, zodat de lezer nagenoeg iedere scène vanuit twee verschillende gezichtspunten ziet. Hoewel dit geen interessante botsingen van inzichten oplevert, verveelt het ook niet. Daarvoor is de beleving van de personages net verschillend genoeg.

De weergave van de aantrekkingskracht tussen Ro en Bob is een van de sterke punten van Witte liefde. Het woord ‘elektriciteit is al gevallen en Reisel gebruikt vaak termen die daarmee in verband staan: ‘een aanvaring met een sidderrog’, ‘schok’, ‘blikseminslag’, ‘trilling’, ‘flits’, ‘schicht en schrik’. ‘Warmte’ en ‘vloeibaarheid’ zijn andere betekenisvelden waaruit geput wordt om de gemoedstoestand van de personages weer te geven. Misschien is dit alles niet bijster origineel maar omdat Reisel beeldspraken gebruikt die niet voor de hand liggen (‘als een schip van zacht rubber’, ‘een nest jonge en warme slangen die vergeefs met elkaar om een ligplek vochten’) worden clichés omzeild. De tropische omgeving, het eiland Curaçao, versterkt deze betekeniselementen.

Het contrast met de kilte van het mortuarium is in dit verband groot. Het taalgebruik van Ro is in deze passages anders, aardser, directer, cynischer.

Reisels schrijfstijl is niet gespeend van humor. Die relativeert de situatie en geeft aan de scènes in het mortuarium een hilarisch tintje. Op het eind dreigt het verhaal even een melodramatische kant op te gaan als Bob de dode Ro zijn eeuwige liefde betuigt. Gelukkig pakt Reisel daarna de draad weer op en laat Ro begraven onder de vrolijke klanken van een steelband. De aarde ploft op de kist, het geluid wordt zwakker. Een mooi, sober einde, je zou bijna willen dat je zo zelf begraven werd.

Met Knielen op een bed violen zit Jan Siebelink volgens de schaduwjury op rozen, omdat het een prachtige, geloofwaardige en tegelijkertijd schokkende roman is. Siebelink beschrijft het leven van Hans Sievez. Dat leven is voorbestemd. ‘Aan Gods plan kan niets afgedaan of toegedaan worden,’ antwoordt hij op een vraag van zijn vrouw Margje. Het verhaal heeft er alle schijn van autobiografisch te zijn en is met grote vaart geschreven. Deze ingrediënten leveren een prachtige, authentieke roman op over een ‘bekeerde’, een ‘verloste’. Iemand die zich bekeert tot een orthodoxe afsplitsing van de Nederlands-Hervormde gemeenschap. Over Hans Sievez die zijn zielenheil zoekt bij mannen in lange zwarte jassen die hun diensten houden voor naamloze gemeenschappen, vormloze massa’s in donkere schuren en boerderijen. Het leidt bij Hans Sievez tot een absolute bewustzijnsvernauwing.

Siebelink laat zien dat Sievez gevoelig is voor mystieke kennis van exclusief streng gelovigen, die het Evangelie naar ‘oude schrijvers’ hebben gemoduleerd. Siebelink spreekt hier over de Paauweanen. Alleen zij hebben de ‘Openbaring’ van God – die verspreid dient te worden onder een select gezelschap waarschijnlijk. Sievez raakt er van overtuigd dat hij is uitverkoren, dat hij behoort tot het groepje bijzonderen die God op het oog zou hebben. Er wordt een appèl gedaan op de behoefte van Sievez iets te betekenen in dit leven. Dat schrijnt – zijn zwakke zelfbeeld wordt aangevuld met buitenissige, piëtistische opvattingen – van een gevoelsgodsdienst.

Het boek begint als een streekroman. Met veel aandacht beschrijft Siebelink het gehucht Lathum achter de hoge bandijk langs de rivier, leven in armoede, en het gezin Sievez. Op de steenfabriek kneedt vader de klei met blote voeten tot hij soepel genoeg is voor de vormer. In de winter zit hij zonder werk. Hij heeft de hervormde kerk de rug toegekeerd omdat die volgens hem een dwaalleer predikt. Hij zoekt zijn heil bij turfschippers uit Oost-Friesland, die het in de tachtigjarige oorlog zwaar bevochten, zuivere oude geloof prediken. De twee oudste zoons uit het gezin zijn bij een ongeluk met de kipkar op de steenfabriek om het leven gekomen. Het waren sterke jongens. Hans is een nakomertje, een zwak jongetje dat een voorliefde heeft voor toneelspelen. Hij is moeders benjamin. Vader reageert zijn frustraties af op zijn zoon; bij het geringste vergrijp volgt zware kastijding. Zijn moeder kan dit niet verhinderen. Als zij sterft wordt zijn leven ondraaglijk, hij vlucht naar de overzijde van de rivier een nieuwe toekomst tegemoet.

Tot hier is het verhaal met vaart geschreven, romantisch en sentimenteel. Een smartlap: de jonge hoofdpersoon – enig kind, zwak, lieveling van zijn moeder – groeit op onder erbarmelijke omstandigheden. Zijn oudere broers heeft hij nooit gekend, zijn moeder – bondgenoot en beschermengel -, sterft en hij is overgeleverd aan zijn vader. Als die zijn konijn verkoopt, loopt hij, zijn vriendinnetje ten spijt, weg van huis. Een tranentrekker die de lezer niet onberoerd laat, maar toch op afstand houdt. Dit is wat vooraf ging.

Daarna begint vertoont de roman naturalistische trekken te vertonen. Hans’ toekomst wordt bepaald door het noodlot. Alles wat hij meekrijgt van zijn ouders – erfelijke factoren, de omstandigheden waaronder hij opgroeit, het milieu waarin hij terecht komt en de tijd waarin hij leeft – zijn bepalend voor zijn lot. Hij ontkomt er niet aan.

Aanvankelijk zijn de ontwikkelingen gunstig. Hij vindt een baan, huurt een kamer bij een dame die zich voor hem interesseert en zijn manieren en ijver waardeert. Hij noemt haar tante en zij belooft hem zelfs een flink bedrag na haar dood. Op de tuinderij waar hij werkt wordt hij gewaardeerd en hij volgt een opleiding in de avonduren. Hij houdt contact met zijn jeugdliefde Margje en de toekomst lacht hem tegemoet.

Maar de lezer krijgt alarmerende signalen. Tante is allerliefst; door haar mist hij zijn moeder soms minder heftig, maar hij voelt zich bij haar een onderdanig jongetje. Zij legt een enorme druk op hem, haar aandacht is verstikkend. Hij spaart voor zijn toekomst, maar door haar huurverhogingen kan hij steeds minder sparen. Ze laat hem kleren kopen die veel te duur zijn, terwijl hij in de veronderstelling verkeert dat ze hem die schenkt. Hij vertrekt. Als zij niet lang daarna sterft, krijgt hij niets.

Op de tuinderij ontmoet hij Jozef Mieras. Niemand moet iets van hem hebben, maar Hans kan het niet over zijn hart krijgen hem te negeren of van zich af te stoten. Jozef is een drammer. Geen harde werker zoals Hans. Hij vraagt Hans op de man af of Christus levend voor hem is en nodigt hem uit voor een zaterdagavonddienst. Hans komt niet van hem af, totdat hij hem op de tuinderij in tomeloze razernij in elkaar slaat. Zo lijkt hij aan zijn noodlot te ontkomen. Maar dat noodlot is onafwendbaar.

Samen met zijn jeugdliefde Margje koopt Hans een stukje grond in zijn geboortestreek en begint hij een tuinderij. Hij is een vakman, werkt hard, houdt van zijn vrouw en krijgt een gewenste, gezonde zoon. Dan gaat het mis. De tuinderij loopt niet goed, het hervormde bedrijf ligt niet goed in de overwegend katholieke gemeenschap; ze maken enorme schulden. Hans wordt door ‘grote’ vaste klanten gekleineerd. Jozef Mieras komt aan de deur en brengt Hans in contact met het ware geloof, dat volledige overgave en onthechting predikt. Dan wordt hij geroepen door God. Tot drie keer toe roept de stem hem en tot drie keer toe antwoordt hij. Hij raakt volledig in de ban en ondanks de liefde en zorg van Margje en zijn zoons Ruben en Tom vervreemdt hij steeds meer van zijn gezin. Ten slotte sterft hij in verstikkende eenzaamheid omringd door hel en verdoemenis brakende broeders die zijn gezin op afstand houden.

Het verhaal is verteld; wat gebeurt schokt. Hans is een weerloze man, die niet in staat is aan zijn noodlot te ontkomen. Prachtig en geloofwaardig.

Afwijzing, oordeel, angst en depressie, daarover gaat deze roman. Als lezer wil je niet horen bij zo’n afschuwelijke groepering, het gezond overwegen van mogelijkheden wordt er tenslotte niet geboden. Bij een roman vol bijbelse motto’s en motieven verwacht je een dienende thematiek, maar dienend is Knielen op een bed violen niet. Behalve dan voor hen die zelf lijden onder godsdienst-autoritaire verwording. De thematiek is bijzonder en actueel: godsdienstfundamentalisme en godsdienstwaanzin, en de dramatische gevolgen daarvan voor de directe omgeving. Bijzonder omdat deze calvinistisch fundamentalisme in Nederland nauwelijks zichtbaar is. Actueel vanwege de huidige problematiek rond de radicale islam.

Frank Westerman’s El Negro en Ik is het enige non-fictie werk dat is genomineerd en het is beslist een juiste nominatie. Het boek is goed geschreven, leest lekker en zet tot denken aan. Bijvoorbeeld over racisme. Westerman laat zien dat racisme nog lang niet tot het verleden behoort en veel meer vormen kent dan het geijkte wit versus zwart. Aan de hand van de zoektocht naar de herkomst van de opgezette ‘El Negro’ neemt Westerman de lezer mee op reizen door verschillende (ontwikkelings)landen. In deze reizen krijgen we onder andere inzichten in de geschiedenis van de slavernij en de – vaak schrijnende – gevolgen daarvan.

Tropische vogels, gevaarlijke roofdieren, opgeprikte vlinders of zelfs uitgestorven mammoeten kunnen we in verschillende musea van dichtbij bewonderen. Ooit hebben ze geleefd, maar nu zijn ze dood en vakkundig opgezet. Aan opgezette dieren in allerlei soorten en maten zijn we inmiddels wel gewend geraakt, maar hoe anders zouden we reageren als we in een museum ineens tegenover een opgezet mens staan? Dit is precies wat schrijver en journalist Frank Westerman overkwam. In El Negro en Ik beschrijft hij zijn zoektocht naar de herkomst van een opgezette bosjesman, de zogenaamde ‘El Negro’.

Als eerstejaars student ‘tropische cultuurtechniek’ komt Westerman op reis in Spanje al liftend toevallig uit bij het Catalaanse plaatsje Banyoles. Hier staat hij in het plaatselijke natuurhistorische museum oog in oog met de lokale beroemdheid van Banyoles: de met stro opgevulde bosjesman El Negro. Hoewel Westerman meteen gefascineerd raakt door de bosjesman besluit hij pas jaren later, nadat hij door een klein berichtje in de krant weer met El Negro wordt geconfronteerd, uit te zoeken hoe hij opgezet in een Spaans museum terecht is gekomen. Waar komt hij precies vandaan? Wie heeft hem meegenomen? Waar en door wie is hij opgezet? Op al deze vragen wil Westerman antwoorden hebben.

Op zoek naar de geschiedenis van El Negro neemt Westerman de lezer mee op reizen door verschillende (ontwikkelings)landen. In deze reizen krijgen we onder andere inzichten in de geschiedenis van de slavernij en de langslepende – vaak schrijnende – gevolgen daarvan. Ook zien we hoe de ideeën van de westerse blanke bevolking ten opzichte van zwarte mensen als El Negro in de loop der tijd veranderd is. Westerman laat je echter ook nadenken over de vraag of die ideeën wel echt zijn veranderd of alleen maar een beetje zijn aangepast uit angst om niet politiek correct over te komen. Om maar niet voor racistisch uit te worden gemaakt laat de Spaanse regering El Negro midden in de nacht verwijderen uit het museum om hem in Madrid te ontdoen van alles wat er aan hem is toegevoegd om hem op te kunnen zetten. ‘Na afloop restten er nog slechts een schedel en een hoopje arm- en beenbotten: te weinig om een doodskist voor een volwassen man mee te vullen. Een kinderkistje volstond.’ El Negro wordt hierna overgevlogen naar Afrika om hem daar in alle haast te begraven in zijn vermeende land van herkomst, Botswana. Westerman, die in tegenstelling tot de Spaanse regering wel onderzoek heeft verricht naar zijn herkomst, ontdekt dat El Negro heel ergens anders vandaan komt en dus in een vreemd land ligt begraven.

Mooi in El Negro en Ik is ook de ontwikkeling die de auteur doormaakt: van een idealistische ontwikkelingswerker tot een gedesillusioneerde journalist. Als student tropische cultuurtechniek gaat hij voor zijn stage naar Peru om onderzoek te verrichten naar het irrigatiesysteem in een klein dorpje. Hij wordt echter tegengewerkt door guerrilladreigingen en inwoners die hem voor een ‘karisiri’ aanzien, iemand die ‘s nachts vet bij andere mensen weghaalt. Westerman concludeert zijn onderzoek met het advies aan zijn begeleider dat er niets moet worden veranderd in het irrigatiesysteem omdat anders tradities in het dorp zullen worden aangetast. Hij ziet steeds meer in dat helpen vaak niet nodig is en als het wel nodig is wordt hulp vaak onmogelijk gemaakt door oorlogen of allerlei regels die beperkingen opleggen. ‘… de huidige generatie studenten en docenten (tropische cultuurtechniek) beloofde haar kennis en kunde aan te wenden voor “de emancipatie van onderdrukte groepen in de Derde Wereld” – niets minder dan dat. Die doelstelling klonk heldhaftig, romantisch haast, maar hoe bracht je die in de praktijk?’ Westerman houdt het ontwikkelingswerk voor gezien en besluit om als journalist te gaan werken. ‘Ik was blij dat ik de journalistiek had omarmd. De journalistiek bood je de mogelijkheid je in de dingen te verdiepen, zonder het risico goedwillend aan de puinhopen bij te dragen.’ Als journalist gaat hij dan ook op zoek naar het verhaal achter El Negro.

Doordat El Negro en Ik zich in minstens vijf totaal verschillende landen afspeelt is het prettig dat Westerman de lezer zonder lang uit te weiden weet te introduceren in steeds weer een nieuw land. En wel op zo een manier dat je het idee hebt dat je samen met Westerman op reis bent.

El Negro en Ik is, zoals gezegd, goed geschreven, onderhoudend en zet tot denken aan. De zoektocht naar de oorsprong van de opgezette El Negro weet Westerman knap te verweven met zijn eigen ontwikkeling en zware thema’s als slavernij en de vaak grote nutteloosheid van ontwikkelingswerk. Knap is ook dat Westerman een paar vreselijke scènes uit de slavernij kan schetsen zonder dat het te emotioneel wordt of gaat lijken op een pamflet tegen slavernij. Deze scènes zijn net lang genoeg om de lezer te doen gruwelen en te beseffen dat zoiets nooit (meer) mag gebeuren. Westerman verklaart in El Negro en Ik dat zijn voornemen was om het verhaal over El Negro te vertellen en parallel aan dat verhaal verslag te doen van de ervaringen die hem hebben beïnvloed in zijn ontwikkeling. Met het boek El Negro en Ik is hij hier fantastisch in geslaagd.

Joe Speedboot van Tommy Wieringa is vooral een verfrissende en tegelijkertijd gelaagde roman, vol prachtige vondsten. ‘Geen slaap zo diep dat je die niet hoort. Wie hoort er nou een 190-pk-John Deere niet aankomen? Wie gaat er nou in het gras liggen slapen als ze maaien? Wie doet er nou zoiets?’ Het overkomt Frans Hermans, hoofdpersoon in Joe Speedboot. Fransje belandt in een rolstoel. Dan ontmoet hij Joe Speedboot, een energieke en avontuurlijke jongen wiens impulsieve levensstijl Frans’ gedachtegoed beïnvloedt.

Geïntrigeerd door de fanatieke Speedboot beschrijft Frans tussen zijn spastische bewegingen door zijn eigen leven in dagboeken. Zijn spraak is dusdanig slecht dat hij in gesprekken moet reageren met een stift op whiteboard. Dit zorgt ervoor dat Frans in de gemeenschap van het kleine dorp Lomark niet snel geaccepteerd wordt. Door zijn handicap verwijderd van de maatschappij maakt Frans zijn eigen wereld, zijn intelligentie laat het hem toe om op een andere manier de samenleving te beleven en te beschrijven. Maar als zijn klasgenoten na het examen van de middelbare school het dorp verlaten om te studeren in een andere stad, blijft Frans alleen achter. Zijn beperkingen zorgen ervoor dat hij afhankelijk blijft van zijn ouders.

Zijn vader creëert een baan voor hem; met zijn sterke arm perst Frans briketten in de gefabriceerde werkplaats in de achtertuin van het gezin. Zijn vader zal ze daarna verkopen, maar in feite stapelt hij ze tegen een grote muur op in zijn sloperij Hermans & Zn. Fransje realiseert zich dit pas veel later. Dan verschijnt Joe weer in zijn leven, na een mislukte start aan de kunstacademie gaat hij weer in Lomark wonen. Joe traint Frans in arm worstelen en zet hem in de spotlights door hem uiteindelijk mee te laten doen aan kampioenschappen. ‘Ik, Fransje Hermans, één functionele arm met veertig kilo lam vlees eraan.’

Al deze bijzondere gebeurtenissen in een gewoon dorp in Nederland worden door Wieringa op een verfrissende manier beschreven. Eenvoud is bij Joe Speedboot het sleutelwoord. Met deze zuivere eenvoud lukt het Wieringa zelfs om de tragische kant van het leven van Frans te vertellen. De auteur kan zich buitengewoon goed inleven in het zielenleven van de gehandicapte hoofdpersoon. Hij verwoordt het gedachtegoed en het verbeeldingsvermogen van Fransje op een manier waarmee je zelf verder kunt.

Wieringa beschrijft met een schijnbare oppervlakkigheid de jeugd van een groep jongens. De roman lijkt op een jongensboek door de kwajongenstreken die de hoofdpersonen uithalen. In Joe Speedboot speelt volwassen worden ook een grote rol, de jongens groeien samen op en beleven hun jonge jaren intensief. Eerste liefde, toekomstperspectieven, ontwikkeling van eigen karakter en analyse van zelfbeeld, het komt allemaal aan de orde in dit ‘jongensverhaal’.

Maar Wieringa gaat verder. Hij laat je geloven in de onwaarschijnlijke gebeurtenissen die in hun, en bovenal in Fransjes leven voorbij trekken. De jongens bouwen in het boek, naast een vliegtuig, ook aan vriendschap en luchtkastelen. De persoonlijkheden van Fransje, Joe, Christof, Engel en PJ vullen elkaar aan en vormen een samenhangend geheel van jaloezie, impulsiviteit, angst, stoïcisme en liefde. De ontwikkelingen in het boek zijn verstrengeld met elkaar en passen goed bij de spannende opbouw. Het verhaal is zo geschreven dat het door een groot leespubliek gelezen en begrepen kan worden. De inhoud, het jongensboek enerzijds en de literaire roman anderzijds, kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Hier ligt ook de kracht van Joe Speedboot: het boek kan op meerdere niveaus gelezen worden.

De dialogen vormen een mooie afwisseling met de voortdurende gedachtespinsels en fantasie van Fransje. Wieringa lijkt de unieke woordkeuze en mooie zinsbouw zo uit zijn mouw te schudden. De combinatie van sarcasme, humor en diepgang vinden een mooie balans in het schrijverschap van Wieringa. Op iedere pagina zijn er wel zinderende uitspraken, mooie metaforen, poëtische zinnen en verwoordingen van filosofische gedachten te vinden. Luister naar wat Fransje bijvoorbeeld zegt over de haan als symbool van Lomark en zijn vriendschap met Joe: ‘Natuurlijk haatte ik die scharminkelige soephaan in het wapen van Lomark even diep als hij. Die haan was de mal waaruit iedere Lomarker werd gestanst en gepredestineerd tot zwakheid en een hoop gekakel. Wij wisten dat het beest van schrik had gekukeld toen de noormannen kwamen, en niet van dapperheid. Maar dat Joe zo afstandelijk over Lomark sprak gaf me een ongemakkelijk gevoel, alsof we niet meer samen tot dit dorp waren veroordeeld en hartelijke lachten om zijn achterlijkheid, maar hij de zaak opeens van buitenaf bekritiseerde terwijl ik nog middenin zat. Het kon betekenen dat hij binnenkort ook naar míj zo keek… hoe lang zou het dan nog duren voordat hij ook míj beoordeelde als zo’n hopeloos geval uit de rivierklei?’

De gedrevenheid, impulsiviteit en onkenbaarheid van Joe en de verbeeldingkracht en handicap van Fransje worden voelbaar in deze roman door de ongerepte manier van schrijven. Het lichte absurdisme werkt bevrijdend. De roman is niet gekunsteld en onnatuurlijk, maar puur en oprecht. Het zijn Joe én Fransje die alles zo anders, zo magisch maken. Het is Wieringa die je sierlijk door de meer dan 300 pagina’s heen laat lezen.

Naar het oordeel van de schaduwjury komen Knielen op een bed violen en Joe Speedboot het meest in aanmerking voor de AKO-literatuurprijs, met een lichte voorkeur voor de verfrissende roman van Tommy Wieringa. Verdiend zou de prijs ook zijn voor El Negro en Ik, maar omdat dit een non-fictieboek is, worden de kansen ervan niet hoog aangeslagen. Het onverwachte antwoord wordt zeer gewaardeerd, maar te ontoegankelijk geacht om een gedoodverfde winnaar te zijn. De joodse messias vertoont te veel gebreken om te winnen en voor Witte liefde was de nominatie al eervol genoeg.

Zorg ervoor dat Recensieweb kan voortbestaan. Steun ons.

Laatste recensies

Een cynische ode aan onverschilligheid

recensie van Oscar van den Boogaard, De tedere onverschilligen door Lucas van der Deijl, 14 mei 2013

Afgebakende perfectie

recensie van Saskia de Coster, Wij en ik door Tim van Dun, 12 mei 2013

Brave New Animal Dreamworld

recensie van Peter Verhelst, Geschiedenis van een berg door Carmen Meuffels, 12 mei 2013

Adembenemende inkijk in het kermismilieu

recensie van Erik Vlaminck, Miranda van frituur Miranda door Rein Swart, 7 mei 2013

Onnavolgbaar liedje

recensie van Margriet de Moor, Melodie d'amour door Daan Stoffelsen, 6 mei 2013

Steun ons! Volg ons!